Het is zes uur, ik lig in mijn bed, de storm heeft me gewekt. Hij klinkt als een vriendelijk grommende beer, een snoozer die je in laat dommelen en dan weer wakker maakt. Als een storm aan zee.

Ik woon niet aan zee, ik woon in de heuvels. Er staan bomen die aan de top samenkomen in een bos. Ik woon hier sinds kort, de storm leert me dat een bos kan klinken als de zee.

Beneden in het dal rijdt een auto. Aan zee hoor je geen auto’s, ook niet als het stormt. Soms zie je er een brommer, heel in de verte, stuiterend op de golven, maar meestal niet. In het bos kwam ik nog geen brommer tegen. Wel reeën. Als ze je zien, rennen ze weg.

Twee jaar geleden schreef ik een boek over mijn moeder. In 27 hoofdstukken schetste ik haar laatste maanden, en daarmee haar leven. Ze was een stille vrouw; je moest goed kijken om haar te zien. Een lieve vrouw ook, die zich moeilijk liet kennen.

Het woord lieve komt niet voor in het boek. Lieve is een woord dat je niet zoekt, maar vindt.

Misschien, zeker weten doe je dat nooit, gaat het boek – amper honderd bladzijden met hier en daar een lege foto – niet over míjn moeder, maar over de moeder van de lezer. Niet ik ben het die schrijft, maar de lezer, in zijn of haar hoofd, aan de biografie van zijn of haar moeder.

Laatst zag ik een foto van een mij onbekende vrouw. Ze keek me aan en lachte. Ben jij het? Via nevelige omwegen zocht ze contact. Het is kwart over zes, de storm gaat liggen, ik sta op om over haar te schrijven. Misschien rijdt er een brommer door het bos.

WIDO SMEETS

7 mei 2021

Waar is die brommer nou? foto Zuiderlucht