De Memphis-beweging kan nog steeds op weinig waardering rekenen. Onterecht, vindt Timo de Rijk, directeur van het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch. ANNEKE VAN WOLFSWINKEL sprak met de voormalig hoogleraar designgeschiedenis. “Eigenlijk waren het vrolijke marxisten.”

Timo de Rijk
De Rijk was zes jaar hoogleraar designgeschiedenis in Delft, Leiden en Amsterdam, voordat hij in september 2016 directeur van het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch (SM-‘s) werd. “Toen ik nog kunstgeschiedenis studeerde in Leiden, was ik altijd in musea te vinden. Ook in mijn tijd als hoogleraar maakte ik graag tentoonstellingen.”

 

Onder zijn overhemd is een dun gouden kettinkje zichtbaar. Wanneer hij uitlegt waarom hij toegepaste kunst boeiender vindt dan autonome kunst, pakt Timo de Rijk het even tussen zijn vingers. “Of ík zo’n gouden kettinkje om heb, of jouw oma, of een jong gastje op straat, dat is een wereld van verschil. Sieraden, en alle vormen van toegepaste kunst, zijn manieren om iets van onszelf uit te drukken. De maker en de gebruiker spelen allebei een rol bij de betekenis die het object uiteindelijk krijgt. Dat maakt design voor mij zo boeiend.”

Op het moment van het gesprek, eind maart, is het een jaar geleden dat De Rijks voorganger, René Pingen, onverwachts overleed. De Rijk: “De Raad van Toezicht heeft zich toen bezonnen op de koers. Een fusie met het Noordbrabants Museum is overwogen – de gebouwen zijn al aan elkaar verbonden – maar er is gekozen om in te zetten op de eigen kracht van het museum.”

De vaste collectie keramiek en sieraden vormt de basis. Die is ontstaan door persoonlijke voorkeuren van twee belangrijke voorgangers van De Rijk. Jan van Haaren, toenmalig directeur van de kunstacademie van Den Bosch, verzamelde vanaf de jaren ’50 keramiek als voorbeeld voor zijn studenten. “Hij haalde de hele wereld binnen – er zitten echt topstukken bij. Yvònne Joris werd in 1985 directeur van Museum Het Kruithuis en zij was dol op sieraden. Ook dat is een collectie met allure geworden.”

Toch wil De Rijk van het SM-‘s geen keramiekmuseum maken, en ook geen sieradenmuseum. Onder zijn leiding wordt design het uitgangspunt. Er is in Nederland niet één nationaal designmuseum. Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam heeft een mooie collectie Nederlands en internationaal modern design, evenals het Stedelijk Museum in Amsterdam. Utrecht heeft in het Centraal Museum alles van Droog Design en Rietveld, en Het Nieuwe Instituut in Rotterdam organiseert exposities, lezingen en debatten. Maar geen van die musea verzamelt design. Dat laatste geldt ook voor Cube, het in 2015 geopende designmuseum in Kerkrade.

Kortom: het is een lappendeken van deelverzamelingen en incidentele exposities. Moet het SM’s dan hét designmuseum van Nederland worden? De Rijk: “Een nationaal designmuseum is wat mij betreft niet nodig. Maar ik wil van het SM’s wel hét museum maken waar je áltijd design kunt zien, in de volle breedte. Want dat is het mooie aan design: je hebt niet alleen de artistieke kant, maar ook een technisch verhaal. En er is een sociale context. Al die verschillende perspectieven wil ik hier bij elkaar brengen.”

Lopend door de expositie De laatste avant-garde, over radicaal design in Italië van 1966 tot 1988, is Timo de Rijk een prettige gids: erudiet, bevlogen, kritisch en een tikje eigenzinnig. Geen gekke eigenschappen voor een museumdirecteur. “Wat ik zo fascinerend vind aan het Italiaanse avant-garde design uit die periode, is dat het op het eerste gezicht vooral balorig lijkt, wansmakelijk zelfs. Maar er gaat een enorme intellectuele diepgang achter schuil. Jonge architecten als Adolfo Natalini en Cristiano Toraldo di Francia analyseerden hoe de wereld ervoor stond. Het ging om grote vraagstukken: het fascisme in het recente verleden, de toename van welvaart en consumptie, de opmars van technologie. In hun werk zoeken ze antwoorden op fundamentele vragen: wat betekent technologie? Wat is architectuur? Ze ironiseerden, in plaats van te moraliseren. Op en top postmodern, maar eigenlijk waren ze vrolijke marxisten.”

Superstudio – Quaderna (1970)

Timo de Rijk: “Neem deze tafel van de architecten en ontwerpers van Superstudio. Het lijnenpatroon, het grid, dat zelfs op de onderkant van het tafelblad doorloopt, is een belangrijk idee van Superstudio. Hun analyse was dat we leven in ‘geconditioneerde ruimtes’, waar dankzij technologie alle comfort voorhanden is: warmte, licht, lucht en communicatiemiddelen. Binnen dat grid moeten mensen – ontwerpers voorop – het echte leven organiseren: liefde en plezier. Het patroon dat je op deze tafel ziet, is een verbeelding van het grid waarmee onze hele wereld bedekt is. De tafel is daar nu een onderdeel van, het gaat op in die wereld. Het is ook een tafel zonder status. Iedereen zou dit kunnen hebben, of je nou directeur bent of student.”

“In het ‘Dutch design’ van vandaag de dag mis ik die intellectuele invalshoek. Ik zie veel ontwerpers die reageren op wat er al is, of die zich op een klein, persoonlijk getint onderwerp richten. Het grote denken van deze avant-gardisten, het analyseren van de wereld, de visionaire ideeën over hoe we leven en hoe de toekomst eruit zou kunnen zien, dat zie ik niet. Het ontwerpvak mag van mij veel intellectueler worden.”

Ettore Sottsas – Carlton (1981)

“De eerste keer dat ik deze kast zag, maakte dat een diepe indruk op me. Het was 1984, ik studeerde kunstgeschiedenis in Leiden en in Museum Het Kruithuis in Den Bosch was een expositie met Italiaans design van het Memphis-label. Dat vonden we opwindend, want conservator Yvònne Joris haalde daarmee design naar Nederland dat regelrecht indruiste tegen de heersende opvattingen over wat ‘goed’ design was: modernistisch, functioneel en strak. Dit postmoderne ontwerp werd verafschuwd: oppervlakkig, wansmakelijk, pure kitsch. Ik weet nog dat ik echt geschokt was door het gebruik van formica met een uitvergroot ‘bacteriënpatroon’. Dat viel in dezelfde foute categorie als luipaard- of tijgerprint. Ik stelde me voor hoe het zou zijn als ik zo’n kast in mijn studentenkamer zou zetten. Dat zou wel indruk maken bij mijn vrienden, ja. David Bowie, groot liefhebber van het werk van Ettore Sottsas, zei ooit over deze kast: ‘De Carlton verdraagt geen andere meubels om zich heen, hij overheerst de hele kamer.’ Let wel: hij vond dat positief.”

Superstudio – Mies (1969)

“Die Memphis-objecten waren voor het Nederlandse publiek in 1984 een eerste kennismaking met het radicale Italiaanse design. Maar eigenlijk was Memphis het eindpunt van een ontwikkeling die al zo’n twintig jaar aan de gang was. Díe ontwikkeling wil ik met deze tentoonstelling laten zien. De Mies-fauteuil is echt een icoon van radicaal Italiaans design. De ontwerpers van Superstudio, opgericht in 1966, trekken met deze stoel één van de onaantastbare goden van het modernisme, Ludwig Mies van der Rohe, op lepe wijze aan zijn oor.”

Lapo Binazzi – Paramount (ca. 1970)

“Deze paraplu-lamp doet zijn best ronduit lelijk te zijn, en dat lukt glansrijk. Lapo Binazzi is de meest ludieke van de ontwerpers in de tentoonstelling. Het is toch geweldig hoe lullig die lampjes daar hangen, de draad die om dat rare kleine parapluutje is gewikkeld. De gele voet, gebaseerd op de berg in het logo van Paramount Pictures, is van keramiek. Maar dan wel amateuristisch gemaakt, inclusief zichtbare bakbarsten. Er bestaan enkele tientallen exemplaren van deze lamp, allemaal uit dezelfde mal, maar wel met verschillende kleuren. Ik vind het een geweldig ding.”

De laatste avant-garde. Radicaal design in Italië, 1966-1988. T/m 11 juni, Stedelijk Museum Den Bosch. sm-s.nl