Ontwerper Tom Van Der Borght won half oktober de felbegeerde Prix du Festival de Hyères. VEERLE WINDELS sprak met de zelfverklaarde Einzelgänger. ‘Ik weet al lang dat ik nergens bij hoor. En ik heb daar vrede mee.’

Huisgenoot Dakota komt even snuffelen maar gaat al snel weer liggen. Zijn baasje Tom Van Der Borght heeft geen tijd. Op de werktafel in zijn atelier ligt een boek met sfeertekeningen en stofstaaltjes van de collectie die hij vorig jaar nog maakte tijdens een extra masterstudie Performance Arts in Maastricht. Zijn schetsboek vol slogans en beelden maakte indruk; het vormde de basis voor de collectie waarmee hij vorige maand het modefestival van Hyères won.  

Wat we zien is Tom Van Der Borght (Bilzen, 1978) ten voeten uit. Zijn modebeeld is exuberant en kleurrijk. Vol humor maar evengoed onderliggend diepzinnig. Op een waanzinnige rok vol borduursels en pittige kleuren zit achterop de slogan ‘Hier kan je niet mee naar de Delhaize’. Tom: ‘Als je echt wilt wél natuurlijk. Er zijn geen grenzen. Maar ik snap het wel. Ik kan me zelf ook lekker exuberant kleden.’

 


Wie is tom van der borght? Geboren in Bilzen / Klassieke opleiding, daarna studie maatschappelijk werk / Vanaf 2008 modestudie aan de academie van Sint-Niklaas / Art work voor The Van Jets / 2018-2019: master performance arts in Maastricht / 2020: winnaar Modefestival van Hyères


 

Hoe was jij als jonge kerel van vijftien?
‘Vijftien? Je bedoelt vijf! Mijn mama gaf les patroontekenen. Ik zat als kind naast haar op de grond en raapte al de stofresten op. Toen al besefte ik dat er twee lagen stof nodig waren om een broek te maken. Ik vertoefde in imaginaire werelden. Soms was ik met stof bezig, soms tekende ik. Ik ruimde mijn kamer op maar ik verplaatste de meubels voortdurend. Uiteraard had mijn zus Barbies en leefde ik me daarop uit. Een stuk lint van kant en ik had al een trouwjurk voor ogen. Op mijn vijftiende was ik iets serieuzer, maar ik trok nog stiekem naar de zolder om er de Barbies van mijn zus te restylen.’

Dus was de kunstschool je habitat?
‘Ik had met gemak Latijn-Wiskunde afgemaakt. Vertel dan maar eens aan je ouders in Bilzen dat je wat artistieks wil doen. Mijn punten waren veel te goed, vonden zij, ook voor een theateropleiding, een studie architectuur of productdesign in Genk. Ik was daar een vis in het water geweest, maar zo ging dat twintig jaar terug in Limburg. Maar pas op, mijn ouders zijn vandaag mijn grootste fans. Ze zijn apetrots op wat ik doe.’

Dus werd het…
‘Een jaartje politike en socciale wetenschappen in Leuven en daarna een opleiding maatschappelijk werk in Gent. Ik ben hiernaartoe verhuisd, toen ik 19 was. Mijn werk met achtergestelde jongeren heeft me veel inzicht gegeven in de wereld. Ik kwam in een heel boeiende artistieke wereld terecht. Denk hiphop, psy trance en elektronische muziek. Mijn leefwereld was toen ook al erg kleurrijk. Ik droeg graag rokken, knipte het haar van mijn vrienden en de kringloopwinkel was mijn tweede thuis.’

En nog kwam het niet in je op om echt iets met mode te gaan doen.
‘Ik was 25, toen ik te horen kreeg dat ik net als mijn broer aan de ziekte van Charcot-Marie-Tooth lijd. Een erfelijke spierziekte die de motorische en gevoelszenuwen aantast. Een dik jaar na dat nieuws is mijn lijf gecrasht. Ik kon nauwelijks nog stappen en moest het bed houden. In die periode ben ik colliers beginnen maken. Het resultaat van die ene hamvraag: hoe lang heb ik nog te gaan? En wat ben ik in godsnaam aan het doen met mijn leven? Niet veel later ben ik stiklessen gaan volgen, ik zat er als enige man in een klas vol vrouwen die gewend waren uit de kleren te gaan om hun rok te passen. Toen volgde de stap naar Sint-Niklaas.’


advertentie

Daar was je een absolute hoogvlieger. Ik herinner me je eindjury. 
‘Als je heel lang schudt met een blikje bruis, dan ontploft de boel hé. Het had ook met de docenten te maken. En ik kwam er terecht in een sterke klas waar ook wat jongens zaten. Echte fashionista’s die bij elk ontwerp op pop al namen noemden. Zo van: “ah, dat is zo Givenchy uit 1997”. Terwijl ik nooit dat soort referenties heb gehad. Een magazine als Vogue kwam thuis niet binnen. Dit is Belgisch slingerde bij ons rond, eind jaren tachtig, Ik herinner me de grote volumes en brede schouders van toen. Dat zit ook wel wat in mijn esthetiek.’ 

Heb je die kleurrijke vrolijkheid altijd al in je gehad of is die toegenomen door je veranderde kijk op het leven?
‘Vind je mijn werk zo vrolijk en positief? Ik niet, de laag eronder kan soms een heel ander verhaal vertellen. Kleurrijk is mijn werk zeker, voor natuurtinten moet je niet bij mij zijn. Laat het maar clashen. Ook al ben ik kleurenblind, stel je voor, ik heb mezelf geleerd naar kleuren te kijken en ze te herkennen door referenties aan het verleden. De dokter die me dat verdikt meedeelde, vond het geen groot probleem. Ik kon alleen maar beter geen modeontwerper worden.’

‘Voor de modewereld ben ik te extravagant en te artistiek, en voor de kunstscène te modieus.

Je speelde al met gender voordat dat een hype werd.
‘De rok hier op de paspop hoort bij de mannencollectie voor Hyères, maar kan evengoed door een vrouw gedragen worden. Mijn afstudeercollectie in Sint-Niklaas was ook een mannencollectie. In Parijs deed ik een fotoshoot met zowel een man als een vrouw en zag ik dat die mannenkleren ook een vrouw mooier maakten. Ik werd meteen gebombardeerd tot uniseksontwerper. Tegen wil en dank. Al geef ik toe: als ik zelf ga winkelen, zit ik ook vaak in de verkeerde rayon.’

Vind je het jammer dat er zo weinig experiment in het straatbeeld te zien is?
‘Ik zie geweldige dingen, zeker in de wijk waar ik woon. Vorige week kruiste ik nog een man die zijn hond uitliet. Hij droeg twee shorts boven elkaar en die clashten geweldig: een witblauwe ruit met een camouflageprint. Je kan het zo gek niet bedenken, maar ik heb het wel opgeslagen. We leven in een wereld waar normen als mooi, lelijk en fashionable heel erg omlijnd zijn en dat vind ik jammer.’

Is dat niet eigen aan de wereld waarin we leven: zoveel regeltjes. De modewereld is toch ook een gesloten wereld met specifieke regels.
‘Dat zal zo zijn, maar niet voor mij. Ik heb zelf nooit ergens bij gepast. Dat is mijn sterkte én mijn zwakte. Het maakt me tot wie ik ben en staat me toe om in een uniek perspectief te werken. Maar voor de modewereld ben ik te extravagant en te artistiek en voor de kunstscène te modieus. Dat ik er nooit echt bij hoor, heeft me vaak gefrustreerd, al voel ik dat er nu misschien een kantelpunt aankomt.’ 

Besef je dat de Hyères-wedstrijd een springplank kan zijn? De laatste winnaars tekenen nu de collecties van Nina Ricci en wonen in Parijs. Of beangstigt dat je?
‘Angst is nooit een goed idee. Ik zie er zelfs de humor van in. Hoe abstract is het om hier in mijn atelier in Wondelgem een outfit voor Chanel of Chloé te maken. Ik heb al veel gezien en meegemaakt. En alle Hyères-finalisten zijn mensen met een unieke stem.’

Waar droom je nog van?
‘Van een samenwerking met Björk, een artieste die me al jaren boeit en die zichzelf telkens weer heruitvindt. Hoe zij blijft experimenteren, dat vind ik geweldig. Misschien komt het er ooit van. Naast de spiegel in mijn badkamer hing een post-it met dromen. Björk stond erop, maar ook een show in Parijs of Londen. Na Sint-Niklaas kreeg ik de kans op korte tijd enkele collecties te tekenen. Er kwamen investeerders aankloppen die met me in zee wilden. Maar dat was echt niet de richting die ik uit wilde. Het is nooit mijn ambitie geweest om duizend mensen in mijn kleren te zien. Ik geloof niet in  massaproductie en evenmin in een globale economie waar schapen op één plek geschoren worden, die wol dan verscheept wordt naar nog een andere plek en ga zo maar door. Maak je unieke stuks, met de hand, zelf dus, dan pas ben je duurzaam bezig. Dat is mijn dagelijkse realiteit.’ 

Je werkt al jaren met overschotten en resten.
‘Ik verzamel al twintig jaar vondsten van rommelmarkten en kringloopwinkels, mijn zolder ligt vol. De beperking die daarin ligt, zorgt ervoor dat ik niet in overdrive ga. Mijn hoofd bruist zo al genoeg. Eerlijk: een tweedehandswinkel genereert bij mij meer creativiteit dan een chique stoffenbeurs à la Première Vision in Parijs. Ik werk ook dikwijls met plastic. Een materiaal dat zeker de laatste jaren verguisd wordt. Maar het is zoals Björk ooit reageerde op de bewering dat elektronische muziek geen soul in zich had. Je moet er soul insteken hé.’ 

VEERLE WINDELS

foto’s Marleen Daniels