Honderd jaar geleden werd Paul Celan, de beroemdste dichter over de holocaust, geboren. CHRISTIANE GRONENBERG herontdekt hem door de ogen van zijn geliefde, de dichteres en schrijfster Ingeborg Bachmann. ‘Een dochter van daders met een slachtoffer van de holocaust, hoe gaat dat samen?’

In mei 1948 kruisten zich in Wenen de wegen van twee mensen met twee totaal verschillende achtergronden. Ingeborg Bachmann, Oostenrijkse, was de dochter van een voormalig lid van de NSDAP. Paul Celan, statenloze jood op doorreis naar Parijs, had beide ouders aan de naziterreur in het concentratiekamp verloren en zelf een Roemeens werkkamp overleefd. De ontmoeting tussen de 21-jarige studente filosofie en des zes jaar oudere dichter was het begin van een gecompliceerde relatie die tot Celans zelfmoord in 1970 zou voortduren. 

Hun intrigerende briefwisseling, die in 2009 voor het eerst werd uitgegeven onder de titel Herzzeit, biedt inzicht in Bachmanns en Celans verhouding. Je leeft met ze mee, van liefdesrelatie naar vriendschap en terug, door periodes van zwijgen, verwijten en wrok. Hun liefde sloot andere relaties trouwens niet uit, Celan trouwde in 1952 met de kunstenares Gisèle Lestrange en Bachmann leefde enkele jaren samen met de schrijver Max Frisch. 


advertentie

Wanneer Bachmann in november 1958 aan Celan schrijft ‘de vorige herfst dringt in deze herfst’ heeft ze het dan ook niet over de seizoenen. Het is haar manier om te zeggen: ‘Nu ben ik met Frisch. Maar ik denk nog aan ons samenzijn.’ De poëtische taal maakt hun correspondentie zo mooi, maar ze heeft ook een bedrieglijke kant. Soms vergeet je dat achter elke metafoor een echte emotie schuilt van soms groot verlangen of diepe deceptie. 

Iedereen die weleens een brief schrijft, kent de mentale obstakels die op je weg kunnen liggen, van onbedwingbare woordenstromen tot urenlange black outs. Bachmann en Celan zijn meesters van het geschreven woord en daar getuigt hun briefwisseling letter voor letter van. Niettemin is er één register dat zij niet beheersen: het lichte, onschuldige babbelen van twee verliefden. Zij lieten het waarschijnlijk niet toe. 

Door literatuurhistorici worden Bachmann en Celan als de twee belangrijkste Duitstalige dichters van na 1945 beschouwd. Hoewel ze dat als jonge volwassenen niet konden weten, lijken ze zich toen al bewust van het symbolische karakter van hun relatie. Een dochter van daders met een slachtoffer van de holocaust, hoe gaat dat samen?

Als dichters voerden Bachmann en Celan, ieder op een eigen manier, een gevecht om ‘het woord na 1945’. Ze maakten deel uit vande voorhoede van intellectuelen die de weg effenden voor de befaamde Duitse ‘Vergangenheitsbewältigung’. In hun teksten draait het veelal om de vraag of en hoe je over de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en de holocaust kunt spreken en hoe deze geschiedenis voortduurt in het nu. Vaak bespreken ze deze vragen op een poëtisch-filosofisch niveau; heel soms klinken, in de vroege werken van Bachmann, ook politieke gedachten door. 

Ook in hun persoonlijke brieven draait het bijna altijd om ‘het woord’. Vaak letterlijk, wanneer ze bijvoorbeeld schrijven ‘Laat ons de woorden vinden’ of ‘Zeg mij of je nog woorden van me wilt’. Ook figuurlijk lijkt elk woord op het gram precies afgewogen op betekenis en context. 

 


Die gestundete Zeit

Es kommen härtere Tage.
Die auf Widerruf gestundete Zeit
wird sichtbar am Horizont.
Bald mußt du den Schuh schnüren
und die Hunde zurückjagen in die Marschhöfe.
Denn die Eingeweide der Fische
sind kalt geworden im Wind.
Ärmlich brennt das Licht der Lupinen.
Dein Blick spurt im Nebel:
die auf Widerruf gestundete Zeit
wird sichtbar am Horizont.

Drüben versinkt dir die Geliebte im Sand,
er steigt um ihr wehendes Haar,
er fällt ihr ins Wort,
er befiehlt ihr zu schweigen,
er findet sie sterblich
und willig dem Abschied
nach jeder Umarmung.

Sieh dich nicht um.
Schnür deinen Schuh.
Jag die Hunde zurück.
Wirf die Fische ins Meer.
Lösch die Lupinen!

Es kommen härtere Tage.

INGEBORG BACHMANN 


 

Waar zit het lichte, het spontane, het alledaagse, wil je de twee dichters soms vragen. In hun geschreven woord kom je het niet tegen. Je begint te hopen dat ze zich in hun persoonlijke contact iets vrijer zullen hebben gevoeld. Foto’s van toen zouden ons een hint kunnen geven, maar er is slechts één foto te vinden waar Bachmann en Celan  samen op staan. 

De betreffende opname, uit 1952, werd gemaakt tijdens een bijeenkomst van Gruppe 47, een gezelschap van schrijvers dat zich het bevorderen van een naoorlogse Duitse literatuur ten doel stelde. En al mag je nooit te veel hineininterpretieren in één enkele foto, zo lijkt dit toevallig vastgehouden moment toch een weergave van de relatie tussen de twee in deze periode. Bachmann buigt zich naar voren en kijkt naar Celan die aan het praten is terwijl hij langs haar heen kijkt. 

Op professioneel gebied schijnt het in de eerste jaren vooral Ingeborg Bachmann te zijn die zich intensief bezig houdt met het literaire werk van haar collega. Zij zet zich bij uitgevers en schrijvers voor Celan in; de verwijzingen naar zijn werk in haar eigen gedichten zijn talrijk. Het is Bachmann die aandringt op een uitnodiging aan Celan voor de bijeenkomst van Gruppe 47. 

Misschien heeft zij daar achteraf wel spijt van gehad. Nadat Celan daar uit zijn gedichten had voorgelezen, nam Hans Werner Richter, de oprichter van Gruppe 47 het woord. Celans stijl van voorlezen deed hem aan Joseph Goebbels denken, Hitlers voormalige minister van propaganda.

‘De hand die mijn boek openslaat, heeft misschien de hand van de moordenaar van mijn moeder gedrukt.’

Celan op zijn beurt verweet Richter een nationaalsocialistische gezindheid en eiste excuses. Volgens Richter ‘huilden Ilse Aichinger en Ingeborg Bachmann en smeekten mij onder ware tranenstromen steeds weer, mij te verontschuldigen, wat ik uiteindelijk ook deed.’ 

Het voorval laat zien hoe ongevoelig intellectuelen in die tijd, en nog vele jaren daarna, met de thematiek van de holocaust zouden omgaan. Het geeft ook een idee van de naïviteit en de blindheid voor antisemitisme waarmee Celan, als jood en slachtoffer van de holocaust, de literaire wereld instapte. 

INGEBORG BACHMANN (1926-1973) studeerde filosofie en psychologie en legde zich in haar proefschrift toe op de filosofie van Martin Heidegger. In 1953 verscheen haar eerste dichtbundel Die gestundete Zeit. Naast poëzie schreef Bachmann ook hoorspelen, verhalen en romans. Na periodes in Wenen, München, Zurich en Berlijn verhuisde zij 1963 naar Rome waar ze woonde tot haar dood.

Het zou hem voor de rest van zijn leven achtervolgen. Wellicht op zoek naar enige afstand tot het Duitstalige literaire circuit vestigde hij zich in Parijs. Tegelijkertijd voelde hij zich verplicht aan de Duitse taal en het literaire vak. Aan de Zwitserse schrijver Max Rycher schreef hij in 1946: ‘Ik wil u vertellen hoe moeilijk het is als jood gedichten in het Duits te schrijven. Als mijn gedichten verschijnen, komen ze ook naar Duitsland en – laat u mij het afschuwelijke benoemen – de hand die mijn boek openslaat, heeft misschien de hand van de moordenaar van mijn moeder gedrukt. […] Maar mijn lot is het schrijven van gedichten. En als de poëzie mijn lot is, dan ben ik blij.’

Bachmann steunde Celan waar zij maar kon. Tegelijkertijd had zij haar eigen strijd te voeren in de literaire wereld, een toen nog heel sterk door mannen gedomineerd terrein. Daarnaast kampte zij regelmatig met geldzorgen, een thema waarvan Celan zich door het trouwen van een welgestelde vrouw had ontdaan. 

Pas eind jaren vijftig lijkt Celan zich écht met het werk van Bachmann in te laten. Als lezer voel je plaatsvervangende pijn wanneer hij schrijft: ‘Ik weet nu hoe je gedichten zijn.’ Ze kennen elkaar op dat moment al bijna tien jaar. 

PAUL CELAN (1920-1970) was enig kind van Duitstalige, joodse ouders die werden vermoord door de nazi’s. Celan, een pseudoniem/anagram van zijn achternaam Antschel, verwerkte zijn persoonlijke ervaringen van de holocaust in zijn poëzie. Tot zijn bekendste werken behoren de Todesfuge uit 1948, Mohn und Gedächtnis (1952) en Sprachgitter (1959).

Ondertussen bleef het thema van het antisemitisme aan Celan knagen. In een recensie van één van zijn gedichten ontdekte hij antisemitische elementen; van collega-schrijvers eiste hij dat ze  publiekelijk achter hem gingen staan. Maar zijn vakgenoten waren een stuk minder uitgesproken, hielden zich op de vlakte of waren een andere mening toegedaan. 

In een brief van Max Frisch aan Celan wordt duidelijk dat deze zich door Celan in het nauw gedreven voelt. De rol van ‘betrouwbare anti-nazi’ die Celan hem toebedeelt, past hem niet. 

Ook Bachmann distantieerde zich in deze periode van Celan. Of liever: zij emancipeerde zich van hem. In september 1961 schrijft zij een brief die Celan waarschijnlijk nooit heeft gelezen, maar die voor de schrijfster als een verlossing moet hebben gevoeld.

Ondanks, of vanwege haar loyaliteit en liefde voor haar dichtersvriend legt Bachmann alle kaarten op tafel: ze zegt dat Celan zichzelf tot slachtoffer maakt. De moed waar deze brief van getuigt zit hem in het feit dat zij voor één keer vriendschap en liefde boven de geschiedenis plaatst. Als vriendin roept ze hem op om te durven leven, om te zien dat er wél vrienden zijn die voor hem instaan – maar volgens haar wil Celan zich liever ‘laten begraven’ onder kritiek, roddels en laster. ‘Je wil slachtoffer zijn, maar het is aan jou het niet te zijn.’

Het lukte Celan niet om zich van zijn last te bevrijden. Eind 1962 werd hij voor het eerst psychiatrisch behandeld. In 1965 en 1967 probeerde hij zijn vrouw te vermoorden en werd hij opnieuw opgenomen. In 1970 maakte hij een einde aan zijn leven door zich in de Seine te storten. 

De briefwisseling gaat na zijn dood verder: Celans weduwe Gisèle Celan en Ingeborg Bachmann hielden contact en ontmoetten elkaar nog een keer in Rome, waar Bachmann de laatste jaren van haar leven woonde. In 1973 overleed zij aan de gevolgen van een brand. 

Deze laatste brieven, geschreven in het Frans, zijn emotionele, openhartige teksten, en ontroerend omdat deze correspondentie een gedeeld rouwproces laat zien. Celan-Lestrange sluit haar brieven meerdere keren af met zinnen die als mantra’s klinken. ‘Beschouw mij als vriendin. Ik ben uw vriendin’. Alsof ze wist dat ze met haar woorden een groter lot kon bezweren. 

CHRISTIANE GRONENBERG

Ingeborg Bachmann, Paul Celan. Een dramatische liefde. Brieven. Vertaald door Paul Beers. J.M. Meulenhoff, 2010.