Timo de Rijk, directeur van het Design Museum Den Bosch, en Hans Gubbels, directeur van Cube design museum Kerkrade, schrijven hier een wisselcolumn over design en andere zaken.

In 1939 verliet de 15-jarige Joodse Victor Papanek met zijn moeder net op tijd het fascistische Wenen. Ze vestigden zich totaal berooid in de Verenigde Staten, waar de jonge Victor zich voorgenomen moet hebben voor altijd op zijn hoede te zijn. Victor Papanek werd architect, althans dat was zijn voornemen, toen hij aanmonsterde als een van de vele stagiaires van de wereldberoemde Frank Lloyd Wright. Vanuit de architectuur kwam hij in aanraking met het ontwerpen van producten, een discipline waarmee hij zijn leven lang een haat-liefdeverhouding zou houden. Papanek schrok van de materialistische cultuur en misschien ook wel van de rijkdom van de Amerikaanse klanten van Wright. Het maakte hem tot een vileine criticus van de cultuur van het land dat hem opgenomen had, hetgeen hem niet altijd geliefd zou maken. 

Dat bleek toen Papanek zijn beroemdste boek Design for the Real World publiceerde, nu precies vijftig jaar geleden. In dat boek neemt Papanek onverkort zijn collega-industrieel ontwerpers de maat. Wat te denken van de openingszin van het boek: ‘er zijn beroepen slechter dan industrieel ontwerpen, maar het zijn er maar weinig’. Het kwam hem op uitsluiting van zijn beroepsgroep te staan, maar tegelijkertijd werd hij de lieveling van de jonge protestgeneratie die in Papanek een oudere en retorisch briljante medestander vonden. 

Ik heb Victor Papanek aan het einde van zijn leven ontmoet, tijdens een congres dat onze opleiding aan de TU Delft had georganiseerd. Samen met hem wachtte ik even tot het moment dat zijn lezing zou beginnen. Ondertussen sprak Barbara Radice, de weduwe van de Italiaanse ontwerper Ettore Sottsass. Ze toonde het publiek de wildste postmoderne ontwerpen van vooral meubelen en vazen. Toen een van mijn collega’s haar vroeg of dergelijke meubelen niet veel te kostbaar waren, antwoordde Radice schouderophalend: who cares? Het werd even stil in de zaal tot de oude man naast mij opstond, zijn vinger opstak en zei: ‘I Do!’. 

TIMO DE RIJK