De aanblik van Adam en Eva die de vijfjarige BEN VAN MELICK ooit zag in het De aanbidding van het Lam Gods is altijd door zijn hoofd blijven spoken. In Gent verdiept hij zich opnieuw in de schilder en ontdekt in hem een kunstenaar “die het gelaat toont als spiegel van de ziel en het lichaam als drager van innerlijke schoonheid en lijden.”

De eerste kunstenaar die mijn verbeelding in lichterlaaie zette, was Jan van Eyck (ca 1390-1441). Als vijfjarige stuitte ik in het boekenkastje van tante Mia op De aanbidding van het Lam Gods. De aanblik van Adam en Eva uiterst links en rechts op de bovenste panelen van het afgebeelde altaarstuk benam me de adem. Ze waren bloot, het was alsof ze levensgroot naast me stonden.

Natuurlijk was het de naakte Eva met haar ronde buik, borsten en schaamstreek waar mijn ogen steeds naar zochten. Maar ook Adam, met zijn griezelhoofd, imponeerde. Elke keer weer kroop ik in de salonfauteuil om te loeren, me kleinmakend opdat de lieve tante me niet zou betrappen in mijn eigen zondeval.
Het waren de vroege jaren vijftig, over het zuiden lag nog de duisternis van de Roomse Kerk. 1781 was daar nog niet lang geleden. In dat jaar werden Adam en Eva op last van de Habsburgse keizer uit de retabel verwijderd en opgeborgen in de sacristie van de Sint-Baafs in Gent.
Ook toen ik al lang mijn bekomst had van het katholieke erfgoed bleef het eerste mensenpaar in dat prentenboek een zinderende herinnering. De kunstenaar Van Eyck daarentegen kreeg nooit een gezicht. Hij bleef de anonieme, zwaar gelovige middeleeuwer, mogelijk geboren in Maeseyck, vermaard om zijn techniek. Een met mythen omhangen schilder van wie slechts een twintigtal werken bewaard is gebleven.
Geen spoor bij hem van befaamde eeuwgenoten als Jeroen Bosch, Michelangelo, Da Vinci of Caravaggio. De eerste decennia van de vijftiende eeuw waren dan wel het hoogtepunt van de middeleeuwse cultuur, de eerste barsten in de wereld van de middeleeuwer waren toen toch al zichtbaar, zeker in de steden, zeker in de literatuur. De studies van onder anderen Herman Pleij maken een heel andere, stadse, aardsere en rauwere wereld zichtbaar dan de Middeleeuwen van de geïdealiseerde hoge adel en geestelijkheid en de onderdanige vroomheid van de hofschilder die daarbij hoorde.
In tegenstelling tot zijn vooruitstrevende tijdgenoten gaf Van Eyck geen krimp. Steeds meer ging ik hem zien als een vertegenwoordiger van de heersende klasse, een pleitbezorger van een ideologie van Roomse onderdrukking. Hoewel ontegenzeggelijk stralend in pracht en kunnen, was hij een representant van de gevestigde orde. Zo viel Van Eyck langzaam maar zeker buiten mijn discours. Maar wat ik als vijfjarige had gezien, bleef wel doorspoken in mijn hoofd.
De tentoonstelling Jan van Eyck. Een optische revolutie rondom het gedeeltelijk in authentieke luister herstelde meesterwerk De aanbidding van het Lam Gods maakte me nieuwsgierig. Ik zou opnieuw gaan zien! Misschien zou de retabel het kunnen opnemen tegen het Isenheimer Altar van Matthias Grünewald in Colmar, of de doeken van Velásquez en Rembrandt die op een vroege ochtend eind vorig jaar in december me de ogen inbrandden.
Ik wilde me opnieuw verdiepen in de Jan van Eyck, geboren in het Maasland, werkzaam in de hoogste kringen in Den Haag en Lille, waar hij glorieerde aan het hof van Philips de Goede, amper vijftig jaar oud als gevierd kunstenaar gestorven in Brugge. Een ontwikkeld man, bekwaam in schilder- en tekenkunst, goed onderlegd in literatuur, politiek, geometrie, wis- en scheikunde: een uomo universale.

Jan van Eyck, Portret van een man met blauwe kaproen, ca. 1428−1430. Muzeul National Brukenthal, Sibiu (Roemenië

 

Jan van Eyck was een schilder in een tijd waarin de stedelijke burgerij de feodale verhoudingen aantastte, de hofcultuur aanvocht en de kerkelijke suprematie ondermijnde. Een tijd van maatschappelijke veranderingen en nieuwe ontwikkelingen in kunst, wetenschap en techniek. Hier in Gent begin ik er iets van te begrijpen: Jan van Eyck is geen representant van de traditie, hij hoort bij de modernen. is modern. Door te experimenteren met olieverftechnieken kon hij zijn grote technische vaardigheid tot in de finesses uitbuiten. In de uiterst nauwkeurige afbeelding van kleding, interieurs, stillevens, stadsgezichten, landschappen en rivieren kon het ambachtelijk meesterschap glinsteren als nooit te voren. Voilà de subtitel van de expositie: Een optische revolutie.
Dat is niet alles. Van Eycks onderzoek naar lichtweerkaatsing en -breking stellen hem in staat de fijnste nuances in spiegeling, flonkering en schaduwen zichtbaar te maken. Hierin overtreft hij zijn Italiaanse renaissancecollega’s die een stuk beperkter waren in detaillering en kleurschakering. Door Van Eycks nieuwe technieken ontstond een revolutie in dieptewerking. Niet langer de mathematisch uitgetekende ruimtewerking van de Italianen, maar vervagende kleurnuances brachten de suggestie van voor- en achtergrond aan: het atmosferisch perspectief was geboren.
Van Eycks talloze lichtschakeringen maken nog iets anders mogelijk. Maximiliaan Martens, co-curator van Jan van Eyck. Een optische revolutie, ontwikkelde de theorie van de reflection of reality: de schepping die letterlijk Gods aanwezigheid reflecteert. De wederkomst, de verlossing, spiegelt zich zo in de vorm. Over modern gesproken!
Deze weerkaatsing van het metafysische in het aardse, het wezen van de ‘optische revolutie’, wordt spectaculair zichtbaar nu alle overschilderingen van eerdere restauraties van het Lam Gods zijn verwijderd. Nu pas kunnen we het retabel zien zoals eigentijdse bewonderaars als Albrecht Dürer, Carel van Mander en Philips de Goede het zagen. En niet te vergeten Jan van Eyck zelf. Dit maakt deze tentoonstelling onvergetelijk.
Accurate tekening en verdiepte schoonheid markeerden de missie van deze zelfbewuste schilder. Van Eyck is de eerste in de Lage Landen die zijn werk signeert en dateert, én van een bescheidenheidsmotto voorziet: als ich can. Nieuwe schoonheid, maar de boodschap blijft middeleeuws: ik doe mijn best maar buig voor God. Ondanks alle innovaties blijft de geschilderde voorstelling dienstbaar aan de verspreiding van de katholieke boodschap.
Zo leert de buitenkant van het altaar-retabel in de Sint-Baafs, dus met dichtgeslagen luiken, het heil van de Blijde Boodschap, de verkondiging aan de maagd Maria dat zij de zoon van God, de Verlosser, zal baren. De binnenkant, de luiken uitgeslagen, toont vervolgens, in al zijn facetten, de aanbidding van het Lam Gods – het symbool voor Jezus Christus die door zijn kruisdood de zonden van de wereld wegneemt. De geschilderde wereld heeft tot in elk detail een didactische functie in dit verhaal; dat was het aat mij in de loop van de tijd zo is gaan hinderen. Kunst moet meer zijn dan geloofsleer in plaatjes.

De panelen van Adam en Eva in het Lam Gods.

Maar, en dat ben ik mij pas hier in het Gentse museum gaan realiseren, in Van Eycks weergave van de heilsleer gebeurt iets spectaculairs. Wat mij als vijfjarige de adem benam, krijgt nu een bijzondere betekenis in het realisme van gezichten, handen, benen, voeten zoals ze in hun onvolmaaktheid zijn. Van Eycks tekening van de menselijke figuur is een stap naar de mens als individu, de kern van renaissance en humanisme. Mensen schilderen in hun verschillen en hun eigenheid is spectaculair in een tijd waarin de stilering van gelaat en figuur nog hoogtij viert.
Die mens herkennen in het Lam Gods, in de portretten en crucifixen, dat is nieuw voor mij. Wandelend, kijkend, lezend ontdek ik de expressieve kunstenaar Van Eyck die het gelaat toont als spiegel van de ziel en het lichaam als drager van innerlijke schoonheid en lijden. Dit alles komt perfect tot uitdrukking in Adam en Eva, vlak na de zondeval, fysiek bloot en mentaal naakt. In de zaal waar zij in volle glorie hangen heerst een bedeesde sfeer. Van Eyck is fascinerend, niet alleen voor het kunsthistorische oog maar voor iedereen die wil zien.
Van de Kruisiging kan ik me moeilijk losmaken. Op een paar vierkante decimeter het lijdende, verlossende lichaam, zo onverbiddelijk naakt, de minuscule lendendoek is bijna doorzichtig – alsof Pier Paolo Pasolini het voor ogen had in zijn gedicht De passie: en de lendendoek trilt/rond uw buik. In lijden zijn mens en god gelijk, maar ook in lust en schittering.
Het kind in mij had de goede antenne: Van Eyck is veel meer dan een apologie van het katholicisme. Hier in Gent zie ik dat de kern van zijn kunstenaarschap niet ligt in het esthetisch vertoon van de verkondiging van de blijde boodschap verkondigt, maar in de kracht waarmee hij de mens portretteert.
Het is jammer dat je dit alles alleen tijdelijk kunt zien in het Museum voor Schone Kunsten in Gent en in het voorbeeldige boek dat de tentoonstelling begeleidt. Een gang naar de Sint-Baafs levert in dat opzicht weinig op. Het altaarstuk hangt er in een shabby kapel achter dik, slecht glas dat je op afstand houdt en tegelijk goed kijken verhindert. In die katholieke mist vervaagt elke detaillering en kun je geen gelaat onderscheiden. Pas in oktober is de nieuwe bezoekerskapel boven de crypte klaar waar het gedeeltelijke gerestaureerde Lam Gods zal stralen. Dan is de tentoonstelling in het museum allang afgelopen.

Van Eyck. Een optische revolutie. Van 1/2 t/m 1/5 in het Museum voor Schone Kunsten Gent. vaneyck2020.be