Je hebt westerns, en romantische komedies, en Europese films. Maar wat zijn dat eigenlijk, Europese films? Is dat een genre of een geuzennaam? En welke rol speelt Nederland daarin? “Zodra er een paar honderdduizend bezoekers op af komen en De Wereld Draait Door er aandacht aan besteedt, is iedereen al tevreden.”

Vroeger, en dan hebben we het over de jaren tachtig, was het een belediging. Europudding zeiden ze. Films die met een beetje geld uit het ene Europese land hier en het andere Europese land daar waren gemaakt. Met een Duitse cameraman en een Franse ster die Engels sprak tegen zijn Deense tegenspeelster, terwijl de plot hen dwars door de Ardennen voerde die op onverklaarbare wijze in de Italiaanse Alpen bleken uit te komen. Waar de regisseur vandaan kwam wist niemand. Zo lang iedere nationale variant op het Filmfonds maar waar kreeg voor z’n zuur geïnvesteerde centen.

Tegenwoordig is de Europese film een eretitel. Het is een zelfbewuste term die tegenwicht biedt tegen de Amerikaanse hegemonie in de bioscopen, die daarmee authentieke, regionale filmculturen dreigt te verdrukken.

Natuurlijk is de werkelijkheid weerbarstiger, zoals ook de programmering van het zesde Made in Europe Film Festival bewijst: een staalkaart van het beste wat er het afgelopen jaar in Europa is gemaakt. Er bestaan fantastische Europese films, maar bestaat er ook zoiets als een Europese film?

Nee, de Europese film is geen genre.

Het is niet zoiets als een western waarin aan het einde altijd een cowboy naar de horizon rijdt. Of een romantische komedie waarin we alleen maar zitten te wachten tot hij en zij elkaar krijgen. Of een oorlogsfilm waarin er nu eenmaal iemand moet winnen. In Europa worden westerns gemaakt (al komen er geen cowboys in voor, maar des te meer ontheemde zielen in een moreel niemandsland), én romantische komedies, én oorlogsfilms (al gaan de oorlogen die in Europa gewonnen moeten worden niet met heroïsch vlaggewapper en wapengekletter gepaard, de vijanden zijn hier honger en armoede, vreemdelingenhaat en intolerantie).

Bovendien is de ene Europese film de andere niet. Elk land kent zijn binnenlandse productie voor de nationale markt: boekverfilmingen, spin offs van populaire televisieseries, komedies voor jongeren. Je hoeft de Nederlandse jaaroogst maar te bekijken om te concluderen dat het merendeel van deze films helemaal niet de ambitie heeft om Europees te zijn. Zodra er maar een paar honderdduizend bezoekers op af komen en De Wereld Draait Door er aandacht aan besteedt is iedereen al tevreden.

Maar die voortbrengselen van de filmindustrie, die nodig zijn om het productievolume op peil te houden, zorgen dat er voldoende kritische massa is om het mogelijk te maken dat er ook films worden gemaakt die boven hun eigen grenzen en beperkingen uit kunnen stijgen en ook een internationaal publiek aanspreken.

Want ja, de Europese film bestaat. De Deense productie In a Better World werd genomineerd voor een Amerikaanse Oscar en is nu in Maastricht tijdens het Made in Europe-festival te zien. Het Griekse Attenberg ging vorig jaar in Cannes in première. De, let u even op, Bosnisch-Frans-Engels-Duits-Sloveens-Belgisch-Servische coproductie Cirkus Columbia was een van de publiekslievelingen op het Filmfestival Rotterdam, eerder dit jaar. En hoewel het laatste voorbeeld anders doet vermoeden, zeker niet alleen als een economische entiteit. Maar voor de rekenmeesters onder u: de Europudding van weleer heeft plaatsgemaakt voor keurig gereglementeerde internationale samenwerkingsverbanden, gebaseerd op expertise- en talentontwikkeling, de garantie van een ruime, internationale blik en wederkerigheid. Landen die veel internationaal coproduceren, zoals Frankrijk, en Nederland ook steeds meer, krijgen daar een internationalisering, en uiteindelijk vergroting van hun afzetmarkt voor terug.

Maar daar gaat het natuurlijk helemaal niet om. Al sinds de film sinds z’n uitvinding ruim honderd jaar geleden tussen de twee uitersten van kunst en commercie gevangen zit, lijkt het wel alsof altijd eerst gewaarborgd moet zijn dat het financiële praatje is afgedekt, voordat we het mogen hebben over waar het echt over gaat. Namelijk de kunstzinnige en culturele waarde ervan.

En zodra we het daarover hebben, dan is de Europese film opeens wel een entiteit, een eretitel, een geuzennaam.

Misschien moeten we net als de vrouwelijke hoofdpersoon uit Attenberg, die om de mensen om haar heen te begrijpen, besluit om ze te observeren à la natuurdocumentairemaker Sir David Attenborough, de Europese film maar eens fenomenologisch benaderen. Want dan zijn er een hoop overeenkomsten die de moeite waard zijn om op te merken. Net zoals deze 23-jarige Marina de wereld om haar heen bestudeert om te kijken hoe ze zich het beste als volwassene kan gedragen, zo zijn er na het bekijken van het programma van het Made in Europe Film Festival ook een aantal belangrijke conclusies over de Europese film te trekken.

Europese films worden voor relatief weinig geld gemaakt. Daarom zijn Europese makers, op een enkele oude meester na, ook vaak jonge makers. En als ze niet jong zijn, dan zijn ze in elk geval jong van hart: de film gaat altijd voor de vaste lasten. Dat van dat geld zie je er meestal niet aan af, omdat de makers daar allerlei inventieve oplossingen voor hebben verzonnen, die er meestal uit bestaan dat ze geen helikoptershots, geen explosies en geen sneeuwbuien op een zomerse set gebruiken. Ze gaan buitengewoon zuinig, of beter gezegd efficiënt met hun middelen om. Ze vinden de poëzie in de wereld om hen heen. Wat dat betreft hebben ze wel iets gemeen met de filosofische fenomenologen die stelden dat de rationalistische onttovering van de wereld tot gevolg heeft gehad dat we niet meer goed kunnen kijken naar de wereld zoals die voor ons ligt. Europese films leren ons daar weer naar kijken. En dat heeft verstrekkender gevolgen dan je zo op het eerste gezicht zou zeggen, want dat betekent dat we uit films heel veel kunnen leren over de werelden die erin worden geportretteerd.

De Romeinse circusfamilie uit La pivellina kan zomaar opeens op een veldje in Weert zijn neergestreken. Het verhaal van Tania en Ivan uit vluchtelingendrama Illégal is ook herkenbaar voor de bewoners van Asielzoekerscentrum Heerlen. Het sociale protest in Made in Dagenham zal de kleinkinderen van de Limburgse mijnwerkers vast niet onbekend voorkomen. En de criminelen uit Rundskop komen toevallig al uit Limburg.

Films kortom brengen het verre nabij.

En de Europese film zoals die successen viert op de grote en kleinere internationale festivals schildert in die nabijheid een mentaliteit. Soms voelen we ons letterlijk nabij aan de personages en verhalen die we zien, kunnen we ons er makkelijk mee identificeren. Soms gaat het meer om een emotionele nabijheid; we zijn dan wel niet Grieks, maar voelen ons ook zo. Of een verstandelijke nabijheid; we zijn dan wel niet Grieks, maar kunnen ons best voorstellen waarom Marina in Attenberg de wereld om haar heen ziet zoals ze die ziet. Misschien moeten we om dat te begrijpen de fenomenologische filosoof (en criticus) Emmanuel Levinas nog eens lezen, die de Westerse filosofische traditie bekritiseerde om het gebrek aan ruimte dat er daarin voor de Ander was.

En alleen in de ogen van de ander, zo leren we immers uit de filmgeschiedenis, kunnen we onszelf herkennen.

Dat sociale engagement is misschien nog wel de grootste gemene deler van de Europese film van dit moment. Zoals ook de selectie van het Made in Europe Film Festival weer eens aantoont spreekt uit de beste Europese films een zeker urgentie. Het zijn verhalen van makers die geven om de wereld om ze heen. Ze stellen zich er vragen bij. Die soms heel verwarrende kunnen zijn, zoals in Koen Mortiers explosieve (dan tenminste toch een Europese film met een paar explosies in het programma) 22 mei, een film die openstaat voor de vraag wat er in het hoofd van een zelfmoordterrorist omgaat. De film balt de levens van een aantal personages samen in die ene split second tussen leven en dood, en laat ze daar zichzelf en de anderen ter verantwoording roepen. Zijn wij verantwoordelijk voor elkaar, vraagt de film. Dragen wij schuld aan andermans daden, werpt hij op. Het zijn gedurfde kwesties in een wereld waarin men het liefst de schuld voor al het eigen onvermogen bij de ander wil leggen.

Om te begrijpen wat Europa is, vertel ik graag het volgende waargebeurde verhaal. Een aantal jaar geleden was ik op uitnodiging van het Catalaanse culturele instituut in Barcelona met een groep filmjournalisten uit diverse Europese landen. We waren daar verzameld om ieder vanuit onze eigen tradities en ervaringen in gesprek te gaan met een aantal Catalaanse filmmakers. Iedereen leerde vooral heel veel over zijn eigen kijkgewoonten, -vooroordelen en –conventies. Op de laatste dag was er tijd ingeruimd voor een toeristisch uitjes en maakten we een wandeling door het Parc Güell om de vele fonteinen van Gaudí te bekijken. Het duurde niet lang of iedereen was elkaar kwijt. De journalisten uit de noordelijke landen, moesten steeds op elke straathoek op de andere wachten. Bezweet. Maar ze gaven niet op en liepen dapper door met gezwinde pas. Degenen uit de zuidelijke landen slenterden rustig en gestaag op hun doel af. Nu eens hier stilstaand om een zin met brede armgebaren te onderstrepen, dan weer daar om op een toevalligheid te wijzen waar het oog toevallig op viel.

Natuurlijk kwamen we uiteindelijk allemaal boven.

En hadden we allemaal hetzelfde magnifieke uitzicht over de stad.

En toen we ons omdraaiden om de fonteinen van Gaudi te bewonderen, zagen we wat iedereen natuurlijk al lang wist: dat ze bestonden uit de meest duizelingwekkend caleidoscopische mozaïeken.

Dana Linssen is filmjournalist. Voor Zuiderlucht bekeek ze alvast de films die tijdens het Made in Europe Film Festival te zien zijn.
Made in Europe filmprijs voor Hafsia Herzi

De centrale festivalgast van het Made in Europe Film Festival 2011 is de Franse actrice Hafsia Herzi (1987). Ze krijgt op de openingsdag 5 april in Lumiére Cinema in Maastricht de eerste Made in Europe Film Award ter waarde van 6.000 euro voor haar bijdrage aan de Europese filmcultuur. Herzi brak internationaal door met haar speelfilmdebuut in La Graine et la mulet, waarin ze de meest memorabele buikdansscène uit de filmgeschiedenis speelde.
Herzi was autodidact maar bleek een zeldzaam natuurtalent. Op het filmfestival in Venetië kreeg ze de Marcello Mastroianni Award voor de beste jonge actrice. In Cannes won ze een César (de ‘Franse Oscar’) als meestbelovende actrice.
Herzi werd in Frankrijk geboren als dochter van een Tunesische vader en een Algerijnse moeder. Haar leven is in veel opzichten representatief voor dat van veel tweede- en derdegeneratie allochtonen in Europa, die als vreemdeling worden gezien in zowel hun geboorteland als het land van hun (groot)ouders. Als actrice wordt Hafsia Herzi gezien als een symbool voor het nieuwe Frankrijk: een land waar etnische groeperingen naast in plaats van tegenover elkaar wonen en leven.