Dat er in de culturele wereld geklaagd wordt, is niets nieuws, beste lezers. En die klachten gaan meestal over geld.

In Brabant, maar ook in Groningen, Zeeland en het oosten van het land is het staande praktijk om het gebrek aan landelijke subsidies voor de regionale kunstwereld te wijten aan Randstedelijke arrogantie. Ik snap het geklaag best over het hoge percentage rijkssubsidies in Utrecht, en Noord- en Zuid-Holland. Het gevolg van die stroom landelijke bijdragen aan vooral Amsterdamse instellingen is immers een vicieuze cirkel van initiatieven, mogelijkheden en talent, organisaties en samenwerkingen en status en respect, die enkel met regionaal geld moeilijk te doorbreken is.

Een greep uit de klachten van de vierjaarlijkse subsidieronde van de nationale overheid van afgelopen maanden betrof de magere score voor de podiumkunsten in het zuiden en het niet aanwijzen van Eindhoven voor een wel verwachte grote bijdrage aan een Design Platform. ‘Een gemiste kans of een gevalletje eeuwige tweede?’ kopte het Eindhovens Dagblad zuur. De afwijzingen en gebrek aan toekenningen stemmen natuurlijk een beetje moedeloos, zeker. Maar de oproep aan de minister tot regionale spreiding buiten de randstad, die op de tegenvallers ook nu weer volgde, is ook een zwaktebod en legt tegelijkertijd het werkelijke probleem bloot. En daarmee de oplossing.

Als we eerlijk zijn, functioneren veel culturele instellingen natuurlijk allang als onderdeel van de recreatie industrie.

Toen het nieuwe college van de provincie Noord-Brabant een paar maanden geleden het eerste bestuursakkoord naar buiten bracht, bleek cultuur ondergebracht bij vrije tijd. Een gotspe voor elke kunstenaar natuurlijk, en hoon was het deel van het jonge provinciebestuur. Maar als we eerlijk zijn, functioneren veel culturele instellingen natuurlijk allang als onderdeel van de recreatie industrie en laten ze zich zonder veel tegenstribbelen afrekenen op liefst stijgende bezoekersaantallen.

Maar het gaat om iets anders. Het gaat om culturele betekenis. Elke instelling die landelijk mee wil doen, moet de vraag kunnen beantwoorden welke onderscheidende culturele bijdrage het levert. Pas als op die eenvoudige vraag een helder antwoord gegeven kan worden, heeft de regio niet langer behoefte aan het argument van eerlijk zullen we alles delen, maar kan het wijzen op structurele ambitie en bijzondere artistieke resultaten.

TIMO DE RIJK

Timo de Rijk, directeur van het Design Museum Den Bosch, en Hans Gubbels, directeur van Cube design museum Kerkrade, schrijven voor ZL Podium een wisselcolumn over design en andere zaken.


Dit artikel is onderdeel van ZL Podium en valt buiten de verantwoordelijkheid van de hoofdredactie.