Ze won de Buning Brongersprijs, kreeg een award voor Best Verzorgde Boek en heeft net twee monumentale wandschilderingen (‘Had ik nog nooit gedaan’) afgerond. Het gaat hard met Vera Gulikers, die, vertelt ze aan JOEP VOSSEBELD, soms zelfs in haar dromen schildert. 

Vorige zomer bezocht ik Vera Gulikers (1991) in haar atelier, toen nog in een schemerig leegstaand kantoor aan de historische binnenhaven van Maastricht. Pas twee jaar daarvoor had ze zich volledig gericht op de schilderkunst en in die korte tijd was ze al enorm productief geweest. 

Die middag haalde ze het ene na het andere grote schilderij tevoorschijn. Een serie Poetsdoeken waarin ze de opgebrachte verf weer had verwijderd en uitgesmeerd met schoonmaakmiddelen. Testdoeken, met een hele rits kleurvlekken in ei-tempera, als uitvergrote schilderspaletten van twee meter hoog. Dan nog doeken waarin het linnen was vastgenaaid in patronen, of juist ruw was weggesneden langs de rand en het ontstane gat was vervangen door een transparante stof, het houten frame scheen er doorheen. Hoe ze nog de tijd had gevonden om ook nog twee boeken uit te brengen, was me een raadsel. 

Behalve experimenteerdrift en maakplezier was er nog een constante in al die verschillende werken: de kleuren waren zonder uitzondering pastel. Meisjeskamerroze. Verjaardagstaartenlila. Verzorgingstehuisgeel. Hotelhanddoekengroen. 

Die kleuren waren er al in je eindexamenwerk aan de kunstacademie in Maastricht, ik herinner me allemaal gipsvormen in een grote ruimte…
Klopt, die pastelkleuren zijn er altijd geweest. Ze kwamen voort uit materiaalexperimenten, met gips krijg je vanzelf pastel als je daar pigment doormengt. Als ik nu terugkijk vind ik dat het werk toen vooral ging over materiaalonderzoek. Daarna, op de Jan van Eyck Academie, ging het snel. Tijdens mijn eerste presentatie daar heb ik uitgesproken dat ik wilde schilderen. Dat kwam vooral uit een gevoel, best wel lichtvoetig eigenlijk, ik ben nog altijd blij dat ik dat gevoel heb gevolgd. Met de eerste twee doeken die ik schilderde won ik al de Koninklijke Prijs voor de Schilderkunst. Daar schrok ik wel een beetje van. Maar het is natuurlijk ook super motiverend, je raakt in een lekkere flow.’ Ondertussen is Vera verhuisd, haar nieuwe atelier, een lichte witte ruimte, kijkt uit op het spoor. De ramen zijn op ooghoogte afgeplakt met een matte folie, ‘Anders voelt het alsof iedereen meekijkt bij alles wat ik doe.’

Hoe begint je werkdag?
‘Het is een half uurtje fietsen naar mijn atelier, dat vind ik wel lekker. Meestal maak ik dan eerst even thee. Ik heb altijd een heel duidelijk idee wat ik die dag ga doen, dat heb ik de avond ervoor al bedacht. Dat heb ik lang zo volgehouden, maar sinds een paar weken doe ik dat niet meer. Ik ga nu gewoon naar mijn atelier, zonder plan. Gewoon iets maken wat niets hoeft te worden. Ik heb hier allemaal potten verf met voorgemengde kleuren staan. Dan trek ik ’s ochtends al die potten open en ik begin gewoon.’ 

En dat werkt?
‘In de afgelopen weken heb ik daardoor een paar hele vreemde dingen geschilderd. Dat ik dacht, wat is dit nou? En voor nu is dat wel even lekker, de spontaniteit van het begin. Je hoopt dat dan daaruit een nieuwe serie werken kan ontstaan en meestal lukt dat ook wel. Toen ik begon te schilderen werkte ik met ei-tempera, daar had ik een recept voor met eigeel, water en pigmenten. Ik heb daar toen een halve emmer van gemaakt, dat zijn ontzettend veel eieren. Tijdens het werken liep ik per ongeluk die emmer om, het stroomde helemaal over de keldervloer van de Jan van Eyck. Ik wilde alles zo snel mogelijk opvegen, maar de vlek die overbleef was eigenlijk veel losser dan wat ik op dat moment aan het schilderen was. Eén grote onbevangen schilderstreek op de vloer. Daar is toen de serie Poetsdoeken uit voortgekomen.’

Twee nieuwe werken hangen aan de muur, ze is er nog mee bezig. Er staat al een gezeefdrukte onderlaag op, een raster in verschillende kleuren. ‘Die eerste laag van het raster is heel vrij schilderen in de zeef, ik kwak er allemaal kleuren in en smeer alles uit met spateltjes, het is echt de joy van het beginnen. Kijken wat er qua gevoel ontstaat.’ 

Op het linkse doek staan over het raster heen al de eerste contouren van een tekening, deels met kleur geschilderd, de rest nog in dunne lijnen. De tekeningen in eerdere werken uit deze serie waren gebaseerd op de schilderkunst van vrouwelijke collega’s uit het verleden: Natalia Goncharova, Florine Stettheimer, Helene Funke. ‘Aan deze serie ben ik in 2018 begonnen, de rasters deden me denken aan borduurpatronen. Ik koppelde die gedachte aan onderbelichte vrouwen uit de kunstgeschiedenis. Je hebt in museumwinkels heel veel merchandise van mannelijke kunstenaars, het Van Gogh-koekblik, of de Rembrandt-koelkastmagneet, maar bijna nooit van vrouwelijke kunstenaars. Er waren in het verleden hele goede vrouwelijke kunstenaars die in hun tijd al beroemd waren, toch lees je daar nauwelijks iets over. Als ze al in de kunstgeschiedenis boeken staan, dan is het vaak een kort stukje zonder afbeelding. Ik wilde een ironische tegenhanger maken, als een patroon om de vrouwelijke kunstenaar als merchandise over te nemen op je jas, een kussentje voor thuis, of op je zakdoek. De zwierig getekende lijnen zijn bedoeld als een soort cliché van een meisje, dat al krullend met haar haren en de telefoon aan haar oor zit te droedelen op een blaadje.’

Je houdt de werken daarmee heel luchtig, terwijl een dergelijke thematiek ook zwaar en activistisch kan worden, om bewust de confrontatie op te zoeken…
‘Ik kreeg precies dat als tegengeluid toen ik wilde gaan schilderen, dat ik het verleden niet te luchtig mocht opvatten. Ik zie schilderen als een manier om te grasduinen in de geschiedenis. Het is niet mijn bedoeling te eisen dat die en die kunstenaar een plek krijgt in de kunstgeschiedenis, of dat iedereen het zo moet zien als ik. Voor mij zijn het aanleidingen, ingegeven door een persoonlijke interesse. De vraag is, wat deden anderen voor mij en waarom ken ik ze nog niet? Ik zie de geschiedenis als iets positiefs, als een soort dagboek waar je in bladert en elke dag weer iets nieuws kunt ontdekken. Maar ik lees ook veel feministische teksten en luister naar feministische podcasts. Zo komen in deze werken twee van mijn interesses samen, schilderkunst en feminisme. Het is een soort zelfonderzoek.’

‘Wat deden andere vrouwen vóór mij? En waarom ken ik ze niet?’

Lukt het je dan nog om niet bezig te zijn met je werk?
‘Ik vind dat wel moeilijk. Als ik niet aan het schilderen ben, dan ben ik wel aan het lezen, of bezig met andere randzaken die met werk te maken hebben. Ik heb wel eens dat ik ’s nachts wakker lig van de adrenaline, omdat ik een idee heb voor een werk, dan wil ik dat meteen maken. Heel lang heb ik zeven dagen in de week gewerkt, meestal van tien ’s ochtends tot acht ’s avonds. Dan luisterde ik de hele dag naar Radio1 en allerlei podcasts. Ik verdwaalde dan in allerlei discussies tijdens het schilderen, nu luister ik liever naar klassieke muziek. Pauzeren doe ik niet, ik smeer meestal boterhammen thuis, zodat ik al schilderend kan eten, ik wil niet stoppen tussendoor. Als ik dan naar huis fiets ben ik met mijn hoofd nog helemaal in het schilderij, als iemand dan “hoi” roept op straat dan herken ik ze meestal niet. En dat vind ik eigenlijk een heerlijk gevoel. Maar als ik ga slapen en dan droom over schilderen, dan ben ik dus te ver gegaan. Dan werk je in feite dag en nacht.’

JOEP VOSSEBELD

Vera Gulikers: ‘Ik ga nu elke ochtend gewoon naar mijn atelier, zonder plan. Gewoon iets maken wat niets hoeft te worden’. foto’s Marleen Daniels