Sommige films blijven jong. Modern Times (1936) van Charlie Chaplin is er zo één. Humor en sociale relevantie van de film zijn geen spat verouderd. Cultura Nova vertoont Modern Times met live muziek door de Philharmonie Zuid-Nederland. KEVIN TOMA bespreekt alvast de cruciale scènes.

Nergens komen filosofie, politiek en slapstick zo mooi samen als in Modern Times van Charles Chaplin. Alleen al die openingsbeelden. Een voortgedreven kudde schapen vloeit over in een naar de fabriek stromende mensenmassa: de arbeiders als werkvee.

Als je goed kijkt, ontdek je tussen die schapen één zwart exemplaar. Dat zwarte schaap, die losse schroef in de machinerie van het kapitalisme – dat móet welhaast onze held zijn, de door Chaplin zelf gespeelde Tramp. Sinds zijn allereerste optreden in Kid Auto Races at Venice (1914) groeide Chaplins zwerver – denk aan de snor, de bolhoed, de grote schoenen, de wandelstok – uit tot een wereldwijd geliefd personage. Modern Times betekende het officiële afscheid van de Tramp, en eigenlijk begint dat vaarwel al in de credits van de film: daar wordt hij niet ‘Tramp’ genoemd, maar ‘een fabrieksarbeider’.
Terwijl hij via surveillance-camera’s in de gaten wordt gehouden door de fabrieksdirecteur, staat Charlie aan de lopende band moertjes vast te draaien, zonder dat je ooit kunt vaststellen wat er nu precies gefabriceerd wordt. Waarschijnlijk weet Charlie dat zelf niet eens. Net als de beklaagde arbeider uit Karl Marx’ Het kapitaal is hij volkomen vervreemd van de producten die hij maakt, van de anderen, van zichzelf. Zeker wanneer hij persoonlijk op de lopende band belandt en in de machine verdwijnt. Rollend tussen de raderen raakt zijn verstand zo oververhit dat hij vervolgens overal moertjes ziet die moeten worden vastgedraaid, en elke hendel overhaalt die maar overgehaald kan worden. Letterlijk gek van zijn werk danst en huppelt Charlie zich brodeloos.
Modern Times biedt een onverminderd actuele blik op maatschappelijke ongelijkheid, op werkdruk, uitbuiting en gebrek aan privacy. Het linkse engagement van de lopende-band-scènes zou in Chaplins volgende films steeds explicieter worden – tot hij in 1952 vanwege zijn vermeende communistische sympathieën uit het land werd gezet.
Maar het verbluffendst blijft de bedrieglijke elegantie en humor waarmee Chaplin alles met elkaar verbindt. “Er zijn mensen die mijn werk sociale betekenis toedichten. Dat heeft het niet”, zei Chaplin destijds in een interview. “Mij gaat het er vooral om te amuseren.”
Eenmaal ontslagen uit de fabriek gaat het met de Tramp al snel bergafwaarts: de misverstanden stapelen zich op, en voor hij het beseft zit Charlie als veroordeelde communist (!) in de gevangenis. Aldaar speelt zich een van de grappigste scènes van Modern Times af, ook al staat-ie nogal los van de thematiek van de film. In de gevangeniskantine gooit de Tramp een berg binnengesmokkelde cocaïne over zijn eten, denkend dat het zout is. Na enige consumptie slaat zijn verstand wederom op tilt, terwijl hij uiterst verbaasd in de camera kijkt en de lepel in zijn oor steekt in plaats van zijn mond. Op weg naar zijn cel tolt hij letterlijk rondjes; het moet een van de absurdste filmtrips aller tijden zijn.
En dat terwijl de Production Code, de zelfcensuur die Hollywood vanaf 1930 toepaste in dienst van het conservatieve bioscooppubliek, de verbeelding van illegaal drugsverkeer absoluut verbood. Neuspoeder, zo wordt cocaïne in de film genoemd. Misschien waren de fatsoensrakkers van de censuur zo naïef om te geloven dat het echt om een onschuldig snuifje ging.

Modern Times verscheen bijna tien jaar na de introductie van de geluidsfilm. Chaplin, verknocht aan de vertelconventies van de zwijgende cinema, bleef geluid en gesproken dialoog zo lang mogelijk weren uit zijn werk. Niettemin wist hij dat hij uiteindelijk met zijn tijd moest meegaan. Het oorspronkelijke script van Modern Times bevat dan ook talrijke dialogen, maar uiteindelijk gooide Chaplin die weer overboord: hij werd bang dat het iconische Tramp-personage zou verbleken zodra diens gebaren en gezichtsuitdrukkingen door taal werden vervangen.

Dus werd Modern Times een fantastisch compromis. Vrijwel volledig zwijgend, met een daardoor extra betekenisvolle rol voor het gesproken woord. De enigen die hoorbaar praten zijn figuren met autoriteit, zoals de fabrieksdirecteur; bovendien klinkt de dialoog nooit direct, maar altijd via apparaten zoals monitors en radio’s. Dat maakt de soundtrack inhoudelijk nog steeds interessanter dan die van menige hedendaagse, achteloos kwebbelende film.

Uiteindelijk is de stem van de Tramp toch te horen, voor het eerst én het laatst in de filmgeschiedenis. Als zingende ober staat hij op het punt het destijds populaire liedje Je cherche après Titine te vertolken, wanneer hij ontdekt dat hij zijn tekst-geheugensteuntjes kwijt is en dan maar pure larie opdient. Prachtig, zoals Chaplin dat moment alsmaar uitstelt – het naar zijn stem hongerende bioscooppubliek uit 1936 moet op het puntje van de stoel hebben gezeten – en met de daaropvolgende lyrische onzin des te duidelijker maakt dat woorden inderdaad overbodig zijn.

Modern Times was de eerste film rond de Tramp waarin de held een kompaan krijgt: een vrijgevochten straatmeisje (Paulette Goddard) dat hij helpt wanneer ze gesnapt wordt met een gestolen brood en dat vervolgens niet meer van zijn zijde wijkt. In de eerste versie van de film gebeurt dat wél: na allerlei ontberingen raakt de vagebond van zijn liefje gescheiden, om haar pas terug te zien nadat ze non is geworden. Solo wandelt hij richting horizon, zoals in zijn vorige films.

Gelukkig koos Chaplin voor een andere finale. Na een allerlaatste tegenslag zitten de Tramp en het meisje uitgeput langs de weg, en vraagt zij zich moedeloos af waar het allemaal goed voor is – die vergeefse zoektocht naar een plek in de maatschappij. Onze vagebond weigert in het stof te bijten. “Hou vol! Geef de moed niet op!”, zegt hij, via de tussentitels, maar je zou haast zweren dat je het hem hóórt zeggen, zo overtuigend is zijn optimisme. Hand in hand lopen ze richting de camera, maar zij lijkt nog altijd verslagen, tot hij haar aankijkt en met zijn vinger een streep langs zijn mond trekt. “Smile”, zegt hij lachend tegen haar. En ja, zij lacht óók.

Chaplin en de 21 jaar jongere Goddard waren verliefd toen ze Modern Times maakten. Die liefde vóel je, bij het einde van de film. Maar de scène ontroert ook door de muziek. Chaplin componeerde zelf de prachtige score, met de treffend sentimentele strijkers van Smile als hoogtepunt: het is een melodie die na afloop nog lang blijft ronddansen. Geen wonder dat Nat King Cole er in 1954 een succesvol liedje van maakte. ‘Smile though your heart is aching/ Smile even though it’s breaking’. Ook zulke woorden had Chaplin in 1936 helemaal niet nodig.

Modern Times. Op 29 augustus tijdens festival Cultura Nova in Heerlen, met een live-vertolking van de muziek door Philharmonie Zuid-Nederland. culturanova.nl