Charles Esche, directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven, en Stijn Huijts, directeur van het Bonnefantenmuseum in Maastricht, denken in deze wisselcolumn na over beeldende kunsten.

De kunstmarkt bloeit als nooit tevoren. Steeds meer rijke particulieren houden zich bezig met het collectioneren van kunst, deels omdat het een lucratieve belegging is, maar vooral omdat de kunstmarkt hen toegang verschaft tot de statusverhogende wereld van de kunst.

Met het toenemend aantal rijke kunstverzamelaars moet natuurlijk ook het ‘winkelaanbod’ groeien. Was tot voor kort de grootschalige kunsthandel vooral een Europese aangelegenheid, met Art Basel, Frieze London, FIAC Parijs en TEFAF Maastricht als onbetwiste vlaggenschepen; anno 2018 hebben de topbeurzen hun vleugels uitgeslagen naar de rest van de wereld. Art Basel, Frieze en TEFAF hebben tegenwoordig ‘outlets’ in Noord-Amerika, maar ook op andere plekken in de wereld, in het bijzonder daar waar nieuwe economieën nieuwe rijken voortbrengen, blijkt er een goede voedingsbodem voor kunstbeurzen te zijn. De beurzen van Shanghai, Dubai en zelfs Kaapstad floreren; Art Basel is actief in Hong Kong en Buenos Aires, en onlangs kondigde de eigenaar van deze kunstbeurs aan dat er vanaf 2019 een jaarlijkse kunstbeurs zal plaatsvinden in Singapore. De fanatieke verzamelaars en galeriehouders die gewend zijn om als koper respectievelijk verkoper al die beurzen te bezoeken, krijgen het nog moeilijk; elke maand is wel ergens een event, op termijn is overlap onvermijdelijk.

Ondertussen drijven al die nieuwe, steeds rijker wordende rijken de prijzen van kunstwerken op tot irrationele hoogten. Een publieke instelling zoals het Bonnefantenmuseum kan in financieel opzicht onmogelijk concurreren met al dat privégeld. En al zouden we het kunnen, dan nog zou ik het niet willen. Ik zou nooit een prijs betalen waarvan ik het gevoel heb dat hij buitenproportioneel is. Dan maar liever wachten tot zo’n werk via een schenking of legaat alsnog in de museumcollectie terecht komt.

Gelukkig voor het museum als publieke instelling wordt de concurrentiepositie in de kunstwereld niet alleen bepaald door de beurs van de potentiële koper, maar ook door diens reputatie, en door de toegevoegde waarde van de opname van een kunstwerk in een museumcollectie. Op dat moment verliest het werk zijn economische waarde, een museum verkoopt in beginsel immers geen kunst, het werk wordt zo onttrokken aan de markt.

In de museumcollectie is een kunstwerk geen koopwaar maar erfgoed, en draait het alleen nog over de immateriële waarde. Die is niet in geld uit te drukken. Beschaving noemen we dat, en die geeft godzijdank nog steeds recht op substantiële korting.


Dit artikel is onderdeel van ZL Podium en valt buiten de verantwoordelijkheid van de hoofdredactie.