De heropening van het Stedelijk Museum Amsterdam was een grote gebeurtenis. Eindelijk had de stad zijn grote collectie terug, eindelijk kon de kunstliefhebber zich weer bewoner wanen in een wereldstad met artistiek trapezewerk van de bovenste plank. Barnett Newman! Robert Rauschenberg! Jasper Johns! Saucijzenbroodjes! Hoera! Maar wat zag ik eigenlijk terug?

In het nieuwe Stedelijk Jasper Johns’ Untitled (1964-1965) terug. Dat is een flink stuk, van vijf bij twee meter, van olieverf, een studie in eenvoudige heldere kleuren – rood, geel, blauw, oranje, paars, een beetje groen, met een bezem en linialen er opgeplakt. Die bezem was nodig, zei Johns; door die zichtbare tekenen van vegen en schrapen en duwen en trekken, is het werk niet een plaatje, maar een ding. Dat ding zag ik terug, dus: goed geconserveerd, kerngezond. En toch: oud geworden, zoals mensen na hun zeventigste opeens beginnen te krimpen, hun tred aarzelender wordt, hun handdruk kracht verliest. Maar dat schilderij was precies hetzelfde als tien jaar geleden. Dat gevoel moest dus wel uit mijzelf komen.

Ik ken Untitled goed omdat ik vroeger vaak in de trein zat. Het schilderij was onderdeel van een campagne van Openbaar Kunstbezit: op de wanden van de compartimenten hingen bescheiden foto’s van kunstwerken, met titel en verblijfplaats. Barnett Newmans Who’s afraid of Red, Yellow and Blue was er ook bij, maar dan als situatiefoto, met de silhouetten van museumbezoekers ervóór, anders kon je niet zien dat het een kunstwerk was. Er was een nóg oudere traditie, ook van Openbaar Kunstbezit. Je abonneerde je en ontving per post een losbladige aflevering, met plaatjes. Daarmee ging je in je leunstoel zitten; het verhaal werd vervolgens live op de radio door een fijne deskundige voorgedragen. Terwijl hij sprak, had je het plaatje voor je. Dat was mooi, maar het was surrogaat voor de ware beleving, in het museum, dat was duidelijk. Daar moest luisteraar natuurlijk heen om het werk echt te ervaren. Johns had op zijn Untitled geploeterd, geduwd en geveegd, gewikt, gewogen, en dat moest je zien. Dan zag je meteen ook dat verf echt iets bijzonders is, dat er leven in zit, dat een doek reageert op veranderend licht. Je moest naar het museum, omdat het voorwerp uiteindelijk altijd de beste boodschapper van zijn eigen bestaan was.

Dat is niet meer zo. De gewaarwording van de veroudering van dat schilderij lijkt een symptoom van de enorme verandering van het museale object als drager van ervaring en betekenis. Het is een open deur, maar de beeldrevolutie van de laatste dertig jaar is werkelijk hemelbestormend geweest. Denk even terug. Toen ik in die trein zat, begin jaren tachtig, had Nederland twee publieke televisiezenders. Commerciële televisie was verboden. Nederland 3 kwam in 1988. RTL Véronique in 1989. Pas sinds 1985 bestond er een KunstRai. Beeld was schaars – niet zo schaars als in de Middeleeuwen, toen een schilderijtje nog echt een wonder was – maar toch. En dat is anders geworden. In 2000 telde Nederland tien televisiezenders. Tijdens EURO 2000 in Rotterdam werd er op het gebouw van Nationale Nederlanden een voetballende Edgar Davids geplakt van tachtig meter hoog. Dat soort dingen waren er niet, toen het Stedelijk Museum die Jasper Johns voor het eerst toonde. De waarde van ‘het beeld’ en ‘het ding’ zijn fundamenteel veranderd.

De verschillende directeuren van het Stedelijk in de jaren negentig en daarna hadden het er moeilijk mee. In de documentaire Hartslag van het Stedelijk, van Roel van Dalen en Gemma van Zeventer, die ter gelegenheid van de heropening werd gemaakt, valt vooral de worsteling van Rudi Fuchs op. Met enige kramp haalt hij de commercie binnen, en met de koningin als tijdelijke curator probeert hij een breder publiek te enthousiasmeren. Wat Fuchs ondertussen vooral nastreeft, is het herstel van het primaat van het ding, het schilderij, het beeldhouwwerk. Dat wordt in het museum getoond omdat dat nu eenmaal de minst slechte plek was, om je tot zo’n ding te verhouden, te staan, te kijken.

Fuchs schrijft nog altijd elke week een klein essay over kijken in de Groene Amsterdammer, niet over het plaatje, maar over het ding. Als student kunstgeschiedenis deed ik dat ook: in een klein groepje voor een schilderij gaan staan, en dan vertellen wat je ziet. Niet: ‘Links zie ik de maagd Maria…’ maar ‘Links is een blauwe vlek en daarnaast een witte vlek, en die vormen lijken op een vrouwenfiguur.’ U moet het maar eens proberen. Het lijkt flauw, maar het is een goeie manier om je ogen echt te laten werken, tegen de stroom in – de stroom van alle verhalen en kennis en associaties die onmiddellijk uit je brein op gang komt. Dit soort kijken is echt werken, het is mentale gymnastiek. Vincent van Gogh kon het. Zijn brieven staan vol met actieve herinneringen aan schilderijen, die hij ooit ergens ‘live’ gezien had. Hij kon zich het kleinste vlekje citroengeel in een portret van Delacroix, ergens in een museum in Montpellier, voor de geest halen.

Wie nu in de trein zit, wordt omgeven door burgers die allemaal naar een schermpje staren. Via dat schermpje hebben zij toegang tot elk kunstwerk, elke film, elke documentaire, elk boek, elk liedje, elke symfonie. Staand voor Jasper Johns realiseerde ik mij nog maar eens wat dat betekent. Vroeger bood het fysieke kunstwerk de sensatie waar de foto in de trein alleen maar op kon preluderen. Nu is zo’n werk alleen maar een convergentiepunt, een aanwezigheid om te herkennen en af te vinken. De musea richten zich daarnaar. In het Scheepvaartmuseum in Amsterdam wordt de bezoeker een fijne ‘experience’ binnengeloodst, een attractie met ‘sensurround’ beeld en geluid; aan het eind gaat het doek op, en blijken de gefilmde objecten ook écht te bestaan. De visuele fictie wekt een sensatie op, die door het object wordt ingelost. Dat was vroeger precies andersom: toen werd de sensatie door het object zelf op gang gebracht, hoogstens begeleid door wat informatie op een tekstbordje of van een gids.

Een museum heeft zijn bezoekers een uur binnen, misschien anderhalf. In het Rijksmuseum Amsterdam was dat vaak langer, maar dat kwam omdat de toeristen die de rechteringang kozen, en níet meteen de trap naar de erezaal namen, de meubelafdeling werden binnengeleid. Dat was een lange, lange kronkelende tunnel, waarin ook het porselein op ze wachtte. Je zag ze, verdoofd, verdoold, vermoeid, aankomen bij de verlossende trap aan het einde, leidend naar de Poppenhuizen waar het ze eigenlijk om te doen was geweest. Een columnist van de International Herald Tribune schreef onlangs na een bezoek aan het tijdelijke, beknopte Rijksmuseum hoe heerlijk het was, in vijf kwartier met zo’n heel museum klaar te zijn – kon dat overal maar! Het Amsterdam Museum heeft haar opstelling voorzien van een blits voorportaal, waar met twee dozijn topstukken en klinkende multimedia de toerist in 45 minuten wordt opgeladen met stadsgeschiedenis. Wie verder wil, wacht zo’n tunnel, waaraan geen ontsnappen mogelijk is. Maar wie begint daar nog aan!?

Is het onvermijdelijk dat die oude vorm van atletiek, het langdurig kijken naar een voorwerp, de ervaring dat zo’n voorwerp leven in zich heeft, en verandering en emotie, uitsterft? Ja, maar het is een sentimentele vraag. Natuurlijk sterft zoiets uit. Russische romans uit de negentiende eeuw waren baksteendik omdat de treinreizen van Perm naar Omsk vijf dagen duurden. Dat vroeg om literaire duursport. Nu sprinten wij. Wij hunkeren ook niet meer naar de stomme film, of de koffergrammofoon, want wij hebben Avatar in 3D. Het arsenaal aan visuele impulsen is onbeschrijfelijk veel groter geworden. Dat is heerlijk. En het einde is niet in zicht. Onze vrienden van Apple presenteren al computer- en telefoonversies in brilvorm. Die bestaan al langer, bij straaljagerpiloten: op hun netvlies wordt al vliegend een tweede laag van de werkelijkheid geprojecteerd. Die technologie deed het besef groeien dat de piloot helemaal niet meer zelf in dat vliegtuig hoeft te zitten: hij kan zijn werk ook doen in een stoel in Houston, met een joystick en een beeldscherm. Ook chirurgen snijden al mee bij operaties, duizenden mijlen verderop.

Als je plasmascherm groot genoeg is, kun je er die Jasper Johns levensgroot op projecteren. Het is jammer voor de schilder dat je niks ziet van het lijfelijke werk dat in zijn doek is gaan zitten – al is ook daar vast spoedig een oplossing voor bereikt (GoogleTouch). Als die fase in de beeldverbreiding aanbreekt, dan hoeft niemand meer de deur uit.

Is het museum en zijn santenkraam van ‘dingen’ dan tot uitsterven gedoemd? Nee. Het statisch object kan de strijd met de beeldenstorm alleen maar winnen als het extreem beroemd is – maar dan nog niet. Het museum blijft wel een sociaal trefpunt. Het is een academie. Het houdt een introductiefunctie, een schatgravers- en een onderzoeksfunctie. Een beeld als dat van Jasper Johns zal ooit tot plaatje verwateren, en een bestandje worden waarmee iedereen naar believen kan fotoshoppen, maar iemand moet dat ding wel een eerste keer tonen. Iemand moet een keer bij de kunstenaar op bezoek gaan en die dingen een ‘waarderende context’ geven, een zeker cachet, misschien. En misschien is het tijd, na het onthaasten en het slow cooking, om lesjes slow looking te gaan geven.

Wie weet, zie je nog ’s wat.