Voor Mauro Pawlowski, gitarist van bands als dEUS en Radical Slave, hoeft het leven van een rockster niet groots en meeslepend te zijn. “Maar fuck, wie wil in godsnaam Bono zijn? Zelfs Bono zelf niet.”

“Ik kan u een foto laten zien waarop ik met een fopspeen in mijn mond bij mijn grootvader in Heusden-Zolder op schoot zit. Het zal mijn vierde verjaardag zijn en ik heb een singeltje van Elvis in mijn handen. Die foto ga ik nog eens voor een albumhoes gebruiken. Ik had dat singeltje zelf voor mijn verjaardag gevraagd hé.

Ik kom uit een zeer muzikale familie. Mijn vader speelde in de jaren zestig in het bandje van mijn moeders broers. Die band speelde covers van de The Shadows, The Spoetniks en The Kinks. Mijn ooms, de jongere broers van mijn moeder, speelden hardrock. Ze repeteerden bij mijn grootouders in de garage. Ik ben van 1971 en dus opgegroeid tussen de elektrische gitaren en de gitaarriffs uit de actual fucking seventies, haha…

Eerst wilde ik voetballer worden, daarna kunstenaar. Ik begon te tekenen als een gek maar op mijn veertiende kon ik niet meer vechten tegen mijn lotsbestemming en vroeg ik zelf om een elektrische gitaar. Het waren magische objecten, met grote versterkers, alles was groot en onhandig en ze veroorzaakten een hels lawaai. Mijn ooms hadden vrienden in de cité van Heusden-Zolder: langharige Grieken, Turken en Italianen. Ze vonden elkaar in de hardrock. Deep Purple, Black Sabbath, Cream en Led Zeppelin zijn nog altijd mijn favorieten. Een van mijn Italiaanse ooms die in de garage kwam zingen was zelfs lid van motorbende de Tarantula’s uit Genk.

In de jaren zeventig had elk dorp in Belgisch Limburg zijn feestzaal, er kwamen veel bands spelen, ik herinner me Xmal Deutschland of Fad Gadget. In Leopoldsburg was Chokri Mahassine onze leider bij de humanistische jongeren, jeugdhuis de Pukkel was onze uitvalsbasis. Ik was veertien toen we besloten een festival te organiseren. Chokri kwam met de naam Pukkelpop, ik heb nog meegeholpen het podium op te bouwen. De eerste keer dat ik er zelf mocht spelen in 1995 met Evil Superstars was natuurlijk geweldig. Inmiddels heb ik er al vaak op het podium gestaan maar dit jaar geraakte ik er niet. Ik zou spelen met Cidadão Instigado. Die gasten kwamen speciaal uit Sao Paulo voor een concertje op Pukkelpop. Ze wisten niet wat ze meemaakten toen de storm losbarstte. Ik zat in de auto met een kameraad maar de security liet ons niet door. Een paar dorpen verderop zagen we in een kebabzaak op tv dat er doden waren gevallen. Het was heel speciaal om liedjes te spelen op het memorial in augustus.

Ik wilde gitaarheld worden. Brian May van Queen was mijn eerste idool. In mijn familie was het vanzelfsprekend om te proberen virtuoos te zijn. Op mijn achttiende had ik die ambitie gehaald want ik kon alle solo’s van Eddy Vanhalen naspelen. In die tijd werkte ik bij de Ford-fabriek in Genk. Tot ik het aanbod kreeg om te spelen in La Strada, een topveertigband uit Genk. Heb ik tot mijn twintigste gedaan. We speelden 250 keer per jaar, vijf sets met drie pauzes van tien minuten in alle feesttenten en kermissen van Hengelo tot Heerlen. Van Queen tot palingsound, Arie Ribbens, Saskia en Serge, alles. In Noord Holland braken er massale gevechten uit als ze te veel hadden gedronken, en ik maar Hold the Line spelen van Toto. En als ge ook maar iets afweek van de platenversie begonnen ze te roepen dat het slecht was. Echt, die Steve Lukather-solo’s ken ik nog steeds van buiten. Dat was een goeie leerschool. De grootste rock ‘n roll-gortigheden speelden zich af in de dorpsdisco´s. Een van de ruigste plekken waar ik tot aan dEUS heb gespeeld was de chique Diligence in Heerlen. De eigenaar was een toffe gast maar soms waren de rapen gaar. Vooral op maandag zat het er vol met pooiers en dealers. Ik moest eens tussenbeide komen in een gevecht tussen twee vrouwen die elkaar met naaldhakken op de kop stonden te kloppen. En een van de jongens van de band trok lijkbleek weg toen hij een Magnum-pistool onder zijn neus kreeg. Daar leer je wel wat hoor.

De meeste muziek vond ik te vlak. Het oprichten van de Evil Superstars was daar denk ik een reactie op. We waren ambitieuze muzikanten, maar hoefden niet per se de streek of de armoede te ontvluchten. Dat hadden onze ouders en grootouders als immigranten al gedaan. In de jaren negentig was het in de cité best aangenaam vertoeven, we hadden geen noodzaak om weg te geraken. In 2004 wonnen we Humo’s Rockrally, tekenden we een contract bij de stal van Brian Adams en ging Europa voor ons open. Ik woon nu in Antwerpen maar ik ben blij dat ik hier vandaan kom.

In het circuit leerde ik al vrij snel de jongens van dEUS kennen. Die gasten luisterden naar Leonard Cohen en Velvet Underground. Wij luisterden in Genk naar heavy metal of progrock. Maar ik hield ook van de avant garde. Er zat altijd wel een stempelende sjamaan in het café die muziek van King Crimson, Captain Beefheart en Frank Zappa initieerde. Typisch voor de dorpen.

Als mijn familie niet zo muzikaal was geweest, was ik vast schrijver geworden. Ik heb de voorbije vijftien jaar meer geld uitgegeven aan boeken dan aan platen. Mijn tournee met dichter Ramsey Nasr was geen uitstapje, het was veel meer dan dat. Voor een artiest is alles bruikbaar. Ik hoor vaak dat ze niet snappen hoe ik in verschillende bands kan spelen en daarnaast nog allerlei projecten heb. Maar ik snap niet waar andere muzikanten hun tijd laten, ik heb nog steeds alle tijd van de wereld. Natuurlijk, als dEUS een nieuwe plaat heeft, zitten we veel in de studio maar komaan, er gaan 24 uur in een dag. Ik denk dat veel van mijn collega’s teveel stresserend werken omdat ze denken dat dat zo moet. Maar ge kunt ook kalm blijven. Het is een misverstand dat ge uw werk groots en meeslepend moet uitvoeren. Zoals Charley Parker zei: “If you don’t live it, it won’t come out of your horn.” Sommige mensen denken dat een rockster moet leven als een uitbarstende vulkaan, met de armen omhoog Beëlzebub aanroepend met een schaars geklede deerne aan zijn wiel. Shit mijn parkeermeter is mij via de sms aan het stalken. Da’s pas rock ’n’ roll man: illegaal geparkeerd staan in Hasselt.

Goed, je kunt ook zeggen dat ik aan dEUS niet genoeg heb. dEUS is zeker niet genoeg. Dat geldt trouwens voor alle bandleden en maakt dEUS tot dEUS. Natuurlijk is er een groot verschil als de band opkomt in Parijs of Paradiso, of als ik solo aantreed in de Muziekgieterij in Maastricht. Soms denk ik dat het publiek te respectvol is omdat de gitarist van dEUS komt spelen. In Maastricht probeerde men een man de mond te snoeren omdat ie stond te roepen, maar ik vond die gast fantastisch. Ik ben niet iemand die zich niks van het publiek aantrekt en gewoon zijn ding doet. Als het publiek een groot ego heeft, dat kan ook hè, dan speel ik daar op in. Of ge nou Nobelprijswinnaar zijt of een losgeslagen rockstar: verveel nooit. Dat is het belangrijkste. Mijn drijfveer? Mezelf een beter leven te geven, want dat weerkaatst. Succes is in zekere zin een stoornis. Mijn doel is de juiste stoornis te vinden. Want het is waardeloos als ge afstand creëert tussen uzelf en de mensen. Een echte ster zijn lijkt me niks. Ik zou een vet probleem hebben als ik zou ontdekken dat ik Bono heette. En die heeft goeie dingen gedaan hé. Maar fuck wie wil in godsnaam Bono zijn? Zelfs Bono zelf niet.

Tom Barman is een echte Antwerpenaar. Voetjes op de grond. In de traditie van Rubens en Wannes van der Velde, dat zijn geen zwevers. Tom was heel resoluut in aanloop naar de nieuwe dEUS-plaat. Hij riep: ‘Ik ga geen songs schrijven, jullie komen maar met muziek af’. En wij: ‘Neéééééé, kom alsjeblieft met songs af’. Ik denk dat mijn invloed dEUS vooral heeft verwijderd van de alternatieve rockband. Ik heb een bredere melodie, klankkleur en muzikaliteit binnengebracht. Vergeet dat fundamentalisme van ‘simpel is goed’. Dat komt uit een soort van puberale subcultuur die effe goed is geweest, maar punk vind ik overschat. Ik ben nooit een indierocker geweest of een alternative rocker. Tussen avant garde en classicisme moet alles kunnen. Mensen zijn te radicaal. Wij zijn zachte radicalen. In de zin van alles komt goed, kom maar bij ons, ge zult wakker worden op een bananenboot naast een matroos op weg naar Madagaskar. Radicaal blijft het wel hoor, ha ha.

Live spelen is het plezierigste wat bestaat, ik zie gewoon mezelf in het publiek. Natuurlijk, mensen staren naar u en ge wilt interessant genoeg zijn om anderhalf uur naar gestaard te worden. Dat is bijna uw plicht, en tegelijk een verleidingsdans. Het protocol wil dat ik Salomé ben, het publiek betaalt voor mijn onthoofding. Da’s een fantastische erotische sensatie natuurlijk, eventueel gesponsord door Pattex. Daarom speel ik ook in de Muziekgieterij voor tien mensen en een brulboei. Die brulboei ben ik trouwens, ik ben ook een baldadige kerel die roept van slecht of da’s goed. Allez, mijn moeder verwacht mij. Ze is nogal streng qua kookuren.”