Na dertien jaar voltooide pianist Ivo Janssen in 2011 zijn Bach-box: twintig cd’s met daarop alle klavierwerken van Johann Sebastian Bach. “Ik ben nu bijna vijftig en heb het gevoel dat ik steeds beter ga spelen.”

“Hier”, zegt pianist Ivo Janssen, en hij wijst naar de vloer in zijn woonboot, “komt een groot gat. Drie bij vier meter. De vide die dan ontstaat wordt een concertzaaltje. Beneden een vleugel, hierboven het balkon. In totaal goed voor 120 zitplaatsen.” Hij leest de gedachten van zijn bezoeker en vervolgt: “In mijn gedachten zie ik al busladingen Japanners en Amerikanen langs de gracht staan wachten. Er zijn reisbureaus die klassieke concerten organiseren. Een woonboot in een Amsterdamse gracht waar pianoconcerten worden gegeven, dat klinkt toch heel anders dan een cultureel centrum in de provincie.”

De verbouwing zal niet worden uitbesteed, Janssen doet alles zelf. En woonboten verbouwen is inmiddels een soort hobby geworden, hij woont inmiddels in zijn derde. In een overmoedige bui heeft hij wel eens geroepen dat woonboten verbouwen lucratiever is dan piano spelen. “Is dat zo? Ik zou ‘t eens na moeten rekenen, maar als je de waardestijging na zo’n renovatie meerekent, zou het best wel eens kunnen kloppen.”

Ivo Janssen (Venlo, 1963) groeide als zoon van een zuiveltechnicus op in Sint-Oedenrode en vertrok op zijn achttiende naar Amsterdam om piano te studeren aan het Sweelinck Conservatorium. Jan Wijn was er zijn docent, hij woonde op een woonboot en adviseerde zijn studenten hetzelfde te doen. “Vanwege de vrijheid. Als druk repeterende muziekstudent heeft niemand daar last van je. Mijn vader kocht toen een boot voor me op de Prinsengracht. De boot waar we nu zitten is tien keer zo groot.”

Twee jaar woont hij hier nu, en de voltooiing van deze opknapbeurt gaat nog jaren in beslag nemen. De vloer moet vernieuwd, de wanden met bedradingen liggen nog open. Maar het project van die concertzaal, daar mogen we hem te zijner tijd op aanspreken.

Vasthoudendheid is een karaktertrek die ook blijkt uit een andere passie: het lopen van halve marathons. En op muzikaal gebied is Janssen eveneens van de lange adem. In april van dit jaar bracht hij zijn in 1998 aangekondigde Bach Box uit: twintig cd’s met daarop alle klavierwerken van Johann Sebastian Bach. Het idee ontstond in 1994 toen speelde hij in de Leidse Lokhorstkerk een hele avond Bach speelde. “Na afloop opperde de programmeur het idee om alle klavierwerken van Bach op cd te zetten. Maar er was geen platenmaatschappij die een garantie wilde afgeven voor zo’n langjarig project. Toen dacht ik: dan regel ik het zelf. Ik pakte de telefoon, en binnen een uur was het rond. Ik ben erg happy met deze box, hij wordt nog aardig verkocht ook. Van de oplage van 2000 is in een half jaar de helft verkocht. Dat is heel behoorlijk als je bedenkt dat de cd-markt elk jaar met tien procent terugloopt.”

Wat heeft u met Bach?

“Volgens mijn moeder zei mijn eerste pianoleraar toen ik een jaar of tien was al dat ik zo goed Bach speelde. Ik had er al vrij vroeg een goed gevoel voor. Er zat ook iets sportiefs in Bach spelen. Zeker bij de snelle, ritmische stukken, het is leuk om die als jonge jongen foutloos te kunnen spelen, daar kun je mee scoren.”

Pablo Casals speelde op het eind van zijn leven elke ochtend Das wohltemperierte Klavier. Wat speelt u bij het krieken van de dag?

“Ik speel elke ochtend, maar er zit geen vast ritueel in. Ik kan het me voorstellen van Casals, Bach heeft een heilzame uitwerking op je gezondheid, ook fysiek. Als ik me beroerd voel en ik ga spelen, gaat het beter. Bach zorgt voor balans tussen ratio en emotie, dat komt door die polyfonie. Het is muziek die perfect klopt, bijna mathematisch, en tegelijkertijd kun je er ook emotioneel naar luisteren. Die combinatie van ratio en emotie zit ook in mij. Op de lagere school vond ik het prachtig de tafeltjes van 1 tot en met 100 helemaal uit te schrijven, tegelijkertijd was ik een gevoelig jongetje.” Lachend: “Vervolgens heb ik er tientallen jaren over gedaan om die twee een beetje op elkaar af te stemmen. Dat is ook terug te zien in mijn ontwikkeling als pianist, ik ben bijna vijftig en heb het gevoel dat ik steeds beter ga spelen, dat ik het door begin te krijgen.”

Elke tijd zijn eigen interpretaties. Er zijn cellisten die de suites van Bach zelfs drie keer opnemen, in verschillende stadia van hun leven.

“Haha, ja, die cellisten moeten het doen met die zes suites, meer is er niet. Met de klavierstukken ligt dat natuurlijk anders. Ik moet er niet aan denken om die cd-box nog een keer over te doen. Bij de Goldberg Variaties daar heb ik er wel eens aan gedacht om ze nog eens live op cd te zetten, met een knipoog naar Glenn Gould. Die heeft het twintig jaar later ook gedaan. Maar ik doe het toch maar niet. Ik vind dat mensen maar vaker naar een concert moeten komen.”

De Bach-mythe is deels gebaseerd op het feit dat we van de grote klassieke componisten van hem het minste weten. Tegelijkertijd bieden zijn composities volop ruimte voor interpretatie. Janssen: “Er wordt een hoop overgelaten aan de uitvoerenden, maar dat maakt het ook moeilijk. Te veel keus kan verlammend werken. Bij Bach zijn de tempi vaker niet dan wel aangegeven, de dynamiek vrijwel nooit. Voor het opnemen van zo’n cd-box moet je daarom een eigen stijl ontwikkelen. Een lang crescendo, een lang diminuendo, alles wat je doet moet weloverwogen zijn. Die stukken zijn geschreven voor klavecimbel, daar kun je niet harder of zachter. Als ik op Das wohltemperierte Klavier eerst zacht, dan hard en dan weer zacht speel, is dat mijn interpretatie. (Lachend) Ik heb er nog nooit iemand over horen klagen. De klavierstukken van Bach zitten in ons collectieve geheugen. Als mensen tegen mij zeggen dat ik de aria uit de Goldberg Variaties zo langzaam speel, dan zeg ik: ‘Ik kan het niet sneller. Dit is wat de noten over me afroepen’. Dat is het mooie van muziek, dat niet iedereen hetzelfde doet. Anders kunnen we het net zo goed allemaal in de computer stoppen.”

Een van de succesnummers van het festival Musica Sacra afgelopen september was het optreden van Ivo Janssen in de Maastrichtse Sint Janskerk met Ludus tonalis van Paul Hindemith. Hoewel Janssen internationaal eerder succes oogstte met zijn Hindemith-vertolking, had Musica Sacra een Duitse pianist op het oog. Janssen: “Ik hoorde het toevallig van een geluidsman van de KRO en dacht: ja maar, dat is míjn stuk. Ík heb het op cd gezet, ík kreeg er lovende recensies voor. Heel ongebruikelijk heb ik toen een paar mailtjes de deur uit gedaan, mijn Hindemith-cd opgestuurd en werd alsnog uitgenodigd.”

Het brengt hem op de constatering dat het eigenlijk vreemd is dat organisatoren eerst een pianist uitnodigen, en hem dan met een bepaald stuk opzadelen. “Heb je net het tweede pianoconcert van Rachmaninov ergens gespeeld, vragen ze je twee weken later ergens anders om het derde te komen spelen. Ze moesten eens weten hoeveel tijd het kost om je zo’n stuk eigen te maken. Hoeveel? Zeker honderd uur. Bij een gage van 2000 euro houd je dan een lager uurloon over dan een loodgieter. Maar gelukkig gaat het vaak ook andersom. De Goldberg Variaties heb ik zeker 200 keer gespeeld.”

Ludus tonalis duurt meer dan een uur. Zijn er tijdens zo’n concert momenten dat je als pianist met je gedachten afdwaalt?

Lachend: “Nee. Ja, altijd. Het bewustzijn heeft meerdere lagen. Tijdens dat Musica Sacra-optreden was ik me er van bewust dat er microfoons stonden, dat het op de radio kwam, dat het goed moest zijn. Je moet natuurlijk uitkijken dat je niet teveel opmerkt. In mijn ooghoek zag ik een man met zijn voet op en neer wippen. Die vond er zeker niet veel aan, denk ik dan onwillekeurig. Dat registreer je wel. Het is het fijnst als je continu in het moment van het stuk zit, alleen: hou dat maar eens een uur vol.”

Geeft u nog eigen accenten aan zo’n stuk of blijft u gevangen in de ijzeren regels van Hindemith?

“Het is bijna mathematische, en tegelijkertijd ook heel ontroerende, emotionele muziek. Bij de fuga’s heb je een thema links en een thema rechts; dan moet je tegelijk iets óverbrengen, het mag geen droge exercitie worden. Die balans is belangrijk, je mag je niet mee laten slepen. Op je twintigste gebeurt dat eerder dan op je 45e. Maar je plukt er altijd de vruchten van als je jong veel gestudeerd hebt. Laatst hoorde ik iemand zeggen dat je minimaal 10.000 uur moet investeren om ergens goed in te zijn. Toen ben ik terug gaan rekenen: ik heb er meer dan 30.000 uur opzitten. Vrijwel altijd zonder tegenzin. Eigenlijk heb ik altijd plezier in het spelen.”

Janssens bekendheid als pianist steunt deels op de optredens met schrijfster Anna Enquist. “We treden nu tien jaar samen op, de zaal zit altijd vol. Het heeft me geen windeieren gelegd, en je doet iets wat je leuk vindt. Het is ongesubsidieerd, dus zonder verplichting tot cross overs of iets multicultureels.” Het brengt ons op de relatie tussen overheid en kunsten, de aangekondigde bezuinigingen in de sector en de gevolgen daarvan. “Sinds mijn afstuderen in 1987 heb ik ononderbroken werk gehad. In maart bleef mijn agenda ineens leeg. Het is nu weer beter, maar toch. Je merkt het aan de honoraria, er wordt steviger onderhandeld. Bij mij komt het extra hard aan, ik leef van mijn concerten en mijn cd’s. Pensioen? Deze woonboot is mijn pensioen. Ik zal wat voortmaken met die verbouwing en dat concertzaaltje.”

www.voidclassics.nl