Jaren geleden alweer ging Marshall McLuhan op zoek naar de kieren in ons harnas. Door de coronacrisis blijken zijn bevindingen actueler dan ooit, schrijft BARUCH GOTTLIEB.

Is het virus de boodschap of zijn wij dat? Het antwoord is beide. Het virus is de krachtige boodschap vanuit de diepe, rijke materie van de planeet, die ons immuunsysteem overvalt. De wereld is al lang veranderd, maar we waren in ontkenning. De nieuwe omstandigheden overvallen ons in winkels en op stations. De herinrichting lijkt overhaast en ondoordacht, lijnen van tape op de vloer bij de winkel en politie cordons rond speeltuinen, maar al snel zullen we het niet meer opmerken.

Onze ware toestand is onzichtbaar voor ons zelf, zei Marshall McLuhan, het is te vreemd, te onbekend. In plaats daarvan kijken we in de achteruitkijkspiegel, waarbij we de wereld niet zien zoals hij is, maar door archetypen en metaforen uit het verleden. Zelfs de naam Covid-19 verwijst naar vorig jaar. Het is pas door deze zeldzame momenten van extreme crisis dat de werkelijkheid voor een fractie van een seconde waarneembaar wordt.

Op het moment dat we de capaciteit hadden om de hele aarde vanuit de ruimte te zien, ‘bedekten’ we haar onmiddellijk met ecologie. Ecologie is geen beschrijving van de natuur zoals die is, maar van de natuur die we door technische middelen kennen. Ecologie is een taal en een menselijke activiteit die staat voor de ware kennis van de wereld. McLuhan noemt dit ‘dekking’, zoals bij de manier waarop het nieuws gebeurtenissen ‘dekt’, in plaats van het overbrengen van de gebeurtenissen zelf, bieden ze dekking, omkleding van de gebeurtenis.

‘nu stort de kunst in,

de hele wereld gezien als een vuilnisbelt…

de rommel is de wereld van de kunstenaar

hij begint met het creëren van orde uit de troep

en vuilnis

 

vuilnis betekent dekking

de nieuwe dekking van de planeet is vuilnis

het is niet alleen New York

maar de hele planeet is nu als

een vuilnisbelt

 

alles op de planeet is gesloopt

iedere instelling

 

en zo komt de kunstenaar nu tot zijn recht

zodat elk kind

iedereen van onze populatie

een creatieve rol moet spelen

om te overleven’

Voorafgaand aan de huidige crisis was de achteruitkijkspiegel-pathologie al in volle gang. De dreigende opkomst van China en de achteruitgang van de Europese mogendheden heeft de bevolking terug in de tijd laten gaan naar nationale identiteiten die er nooit waren en extreem sociaal conservatisme dat we sinds de middeleeuwen niet meer hebben gezien. Is er zo weinig veranderd? Onze technologie ontwikkelt zich veel sneller dan wij zelf. De viruscrisis onthult ons dat we onvoorbereid aan de rand van een technologisch getransformeerde omgeving staan. Een die we maar amper begrepen hebben.

Het is begrijpelijk dat mensen van deze omstandigheid zijn vervreemd, vooral wanneer het te maken heeft met de existentiële omstandigheden waaronder we ons leven moeten oppakken. Dat terwijl we de veiligheid die we nastreven voortdurend wordt bedreigd door duistere combinaties van krachten uit vier hoeken van de wereld.

De internationale omstandigheden van het bedrijfskapitaal heeft de nationale politiek achterhaald. Vroege arbeidersbewegingen zagen dit al, en stonden vanzelfsprekend in de frontlinie om zich te mobiliseren voor internationale solidariteit. Maar deze beweging moest vernietigd worden. Nationale verkiezingen zijn een sportevenement geworden, in plaats van iets dat onze omstandigheden bepaalt.

De echte wereld is er, maar we hebben niet de goede attitude om deze beter te leren kennen of aan te pakken. Neem bijvoorbeeld het schisma tussen de wereldwijde wetenschappelijke consensus over de klimaatnoodtoestand en het gebrek aan een internationale politieke daadkracht om er iets aan te doen. Alsof het ons niet kan schelen keren we onze rug toe, te bang om de gemeenschap om aandacht te vragen.

‘Als je aan de grens woont, heb je geen identiteit. Je bent een nobody. Daarom word je hard. Je moet bewijzen dat je iemand bent. Dus word je gewelddadig. Identiteit gaat altijd gepaard met geweld. Lijkt dit paradoxaal? Gewone mensen gebruiken geweld als ze hun identiteit verliezen. Alleen al de bedreiging van de identiteit maakt mensen gewelddadig.’

Marshall McLuhan in gesprek met Mike McManus | TV Ontario, 19 september 1977.

Geen wonder dat mensen hunkeren naar identiteit. Identiteit bouwt een gemeenschap die een materiële buffer kan vormen tegen de wereldwijde economische fluctuaties die buiten onze macht liggen. De wrijvingen van de samenleving zijn op zijn minst reëel en aanspreekbaar. Toch is onze wereld niet louter lokaal, dat was het nooit en dat zal het ook nooit meer zijn. Maar in plaats van mensen voor te bereiden om deze tekortkoming praktisch aan te pakken, lijkt er op korte termijn meer voordeel in te zitten om mensen apart te houden.

Misschien kan de internationale gemeenschap van kunstenaars en kunstinstellingen helpen. De kunstenaars van net.art herkennen zich in de huidige situatie, die lijkt op hun intuïtieve en destijds miskende acties van het begin van het internettijdperk. Nu het plotseling zover is dat dat technologie alomtegenwoordig is en we nauwelijks ons huis hoeven te verlaten, en dit de realiteit is geworden, zijn we wettelijk beperkt tot onze huizen.

Het virus legt niet alleen onze omstandigheden bloot, het legt ons ook bloot. We vinden dat we in het belang van de volksgezondheid ons persoonlijk leven moeten opgeven. En ons lichaam wordt het slagveld voor een economische strijd. Als beloning, en misschien met respect voor onze verwrongen gezichtsuitdrukkingen, mogen we overal maskers dragen. De maskers worden gehaat omdat ze een verlies van identiteit vertegenwoordigen, een onderwerping aan de massa uit een samenleving van individuen, die het zich kon veroorloven om van niemand afhankelijk te zijn – alleen van rijkdom.

Uit eerbied voor het masker vragen de autoriteiten om toegang tot meer persoonlijke gegevens. Wanneer gaan de scholen en theaters weer open? Wanneer zal iedereen regelmatig worden getest en wanneer zullen contacten worden getraceerd. Een zekere onderwerping aan het regime van de medische rechtsorde vereist dat we bepaalde verouderde verwachtingen van privacy opgeven, verwachtingen die ons dierbaar zijn omdat ze zijn ingehaald door onze technologische situatie. Wie mag nog privé zijn, en waarover?

Marshall McLuhan in Cambridge University, ca.1940

McLuhan: ‘We hebben nu de middelen om iedereen in de gaten te houden. Het maakt niet uit in welk deel van de wereld ze zich bevinden, we kunnen ze onder toezicht houden. Dit is een van de belangrijkste bezigheden van de mensheid geworden, alleen maar kijken naar andere mensen en het bijhouden van een verslag van hun activiteiten.’

McManus: ‘En inbreuk op de privacy?’

McLuhan: ‘Ja, in feite, gewoon negeren. Iedereen is poreus geworden. Het licht en de boodschap gaan dwars door ons heen.’

Marshall McLuhan in gesprek met Mike McManus , TV Ontario, 19 september 1977.

Met zijn typisch fijngevoeligheid voor de kieren in ons harnas, van het begrijpen van precies dat waar mensen het meest onzeker van worden en ze daar te kietelen, maakt McLuhan de ‘schandelijke hypothese’ in een speciale editie van zijn experimentele DEW Line nieuwsbrief Communism Hard and Soft. Op pagina 6 verklaart hij dat de VS het meest communistische land ter wereld is, en dat het fervente anticommunisme een ijdel reactionair instinct is om een toestand van privacy en privaat-eigendom te herbevestigen en waarmee de basis van de houtje-touwtje-economie de laatste 40 jaar wordt vastgehouden. De VS zijn zo anticommunistisch omdat ze niet kunnen accepteren dat de onherroepelijke transformatie van hun levenswijze al was begonnen waarvan het virus een voortgangsverslag is.

‘Concurrentie is vernietiging’, placht W. Edwards Deming, de architect van het Japanse industriële wonder, te zeggen. We hebben iedereen nodig om zich in te kopen in een gemeenschappelijk project waar iedereen baat bij heeft. Maar we leren niet om samen te werken en dat concurrentie de enige manier is om succes te bereiken. Een sterke partij betekent een legioen verliezers, is dat goed voor de winnaar of de verliezers? Waarom werken we niet samen aan succes? We moeten het proces kunnen vertrouwen, we moeten vertrouwen hebben in de resultaten, maar we zien geen verbetering in ons leven. Tevergeefs scannen we onze schermen op aanwijzingen dat het beter gaat, we vertrouwen niet op onze instincten.

Maar de schermen zijn, zoals Vilém Flusser al waarschuwde, geen vensters op de werkelijkheid, maar interfaces die al met bepaalde permutaties zijn geprogrammeerd. Steeds meer zien we de wereld door een dashboard van indicatoren, zoals een dokter die de vitale functies van een patiënt in de gaten houdt en grafieken van corona-infecties beheert die bevestiging geven dat we op de goede weg zijn. ‘Confirmation bias’ in het beste geval is dat wat McLuhan ‘cool media’ noemt, informatie van slechte kwaliteit die ons betrekt bij het invullen van de leegtes, tegelijkertijd is het wat hij ‘garbage’ noemt, de dekking van de werkelijkheid die betrekking heeft op wat het vertegenwoordigt.

Het nieuws is ‘cool media’ die tot onze verbeelding spreekt. De tijd dat een stijgende beursindex betere voorwaarden voor iedereen betekende, is al lang voorbij. Vandaag de dag zijn aandelenkoersen en -indexen interessant voor een klein aantal mensen, maar de iconische kracht van een opwaartse grafiek blijft fascinerend. Vandaag de dag bidden we dat de markt stijgt zodat, door een of ander duister mechanisme, een deel van het voordeel naar ons leven zal doorsijpelen.

Tegelijkertijd onthult de plotselinge stopzetting van de handel ‘as usual’ het verdwijnen van de files, de toeristen en de transformatie van wat velen werk noemen, en verandert de wereld zo totaal als mogelijk in een kwestie van een paar dagen. Het virus is een ‘glitch’ in het samenspel van mens en planeet, in het besturingssysteem dat moderniteit wordt genoemd, waardoor we een onverwachte kans krijgen. Wat gaan we ermee doen? McLuhan adviseert ons om opnieuw de activiteiten van de kunstenaars bij te wonen, de bijzonder gevoelige groep die ons attendeerde op de aanstaande sociale transformatie, en die zich net als de pandemie, boven de macht verheft.

‘De kunstenaar lijkt ons te zijn gegeven als een noodlottig middel om de kloof tussen evolutie en technologie te overbruggen. De kunstenaar is in staat om het leven te programmeren, of te herprogrammeren, op een manier die ons laat navigeren om uit de maalstroom te komen die door onze eigen vindingrijkheid is ontstaan.

Marshall McLuhan, Man and Media (1979)

Het virus onthult ons, ondanks de illusie van individualiteit, dat de mens een ongestuurd medium is voor communicatie. In het elektronische tijdperk bevinden we ons in een wereld van relaties waar begrip voortkomt uit betrokkenheid en niet uit abstractie. Het hamsteren van meel en wc-papier geeft alleen maar aan dat we niet bereid zijn om elkaar om hulp te vragen. Inderdaad, vertrouwen op je buurman is niet alleen een teken van zwakte, van armoede, onder Covid-19 is deze armoede een kwetsbaarheid voor besmetting. Het feit dat je wc-papier-autonoom bent, is het een-na-beste na een kasteel op het platteland waar je je kunt verschuilen totdat er een vaccin beschikbaar is. Het leven zelf wordt een luxe. Wij zijn het medium voor het virus, en zijn boodschap.

 

BARUCH GOTTLIEB

 

 © West Den Haag, instituut voor hedendaagse kunst. www.westdenhaag.com

***

Baruch Gottlieb is opgeleid als filmmaker en studeerde digitale esthetiek in Berlin. Hij schreef Gratitude for Technology (2009), A Political Economy of the Smallest Things (2016) en Digital Materialism (2018). Momenteel doceert hijfilosofie van digitale kunst aan de University of Arts Berlin en cybernetische esthetiek aan de Technische Universiteit Cottbus.