Dom van der Laan was geen kind van zijn tijd

“Hij was een fundamentalist. Zijn architectuuropvatting was beperkt, maar de reikwijdte van zijn theorie is welhaast oneindig.”

Dom Hans van der Laan had niets met bloemen. Zijn fysieke wereld was naakt, leeg en hoekig, net als zijn architectuur. Je zou het mannelijk kunnen noemen. Wat moet de hemelse overdaad hem een schrik hebben aangejaagd toen hij in 1991 de kale Sint-Benedictusabdij te Mamelis bij Vaals voor eeuwig moest verlaten.

Slechts in zeven ontwerpen, waaronder zijn levenswerk: de uitbreiding van de abdij van Vaals, vertaalde hij zijn in het klooster geformuleerde architectuurtheorie in steen. Dom Hans van der Laan (1904 -1991) definieerde architectuur als een ‘aanvulling’ op de natuur om haar voor de mens bewoonbaar te maken. Architectuur, ofwel de vormgeving van het menselijk verblijf, was mensenwerk dat in zijn ogen zelfs leek op de goddelijke schepping. Een schepping die een nieuwe vormenwereld diende op te leveren die juist niet ontstond uit imitatie van de natuur. Van der Laan behoort tot de grootmeesters van de architectuur die er, net als illustere voorgangers als Vitrivius, Palladio en Le Corbusier, in is geslaagd een echte theorie te ontwikkelen. Monnikenarbeid in het teken van een eenzame zoektocht naar het diepste wezen van de architectuur.
William Graatsma, architect, publicist en voormalig directeur van de Maastrichtse Jan van Eyck Academie, was vanaf 1970 tot diens dood in 1991 is gesprek met Van der Laan. Of eigenlijk: Van der Laan sprak en Graatsma luisterde. “Hij gaf als het ware college over de denkbeelden die hij in de mystieke stilte van het klooster had ontwikkeld. Het was een monoloog. Charmant en galant was hij zeker, maar hij plaatste zijn hele denken en handelen binnen een nauw christelijk kader.”
Het mag opmerkelijk heten dat Van der Laan niet ontvankelijk bleek voor de architectonische tijdgeest. Aan het modernisme met beton, glas en staal als uitingsvormen van een nieuwe transparante bouwstijl viel amper te ontkomen. Sommige Nederlandse iconen van het modernisme, zoals het Rietveld Schröderhuis in Utrecht en de Rotterdamse Van Nellefabriek, werden in die tijd gebouwd. De Stijl (met Rietveld en Mondriaan) en de Nieuwe Zakelijkheid (met architecten als Van der Vlugt) bepaalden de internationale faam die Nederland ten deel viel. Niet zelden werd architectuur opgevat als een middel om in de maatschappij een samenlevingsideaal te kunnen verwezenlijken. Berlage, die reeds in 1903 in Amsterdam zijn Beurs had gerealiseerd, gold als boegbeeld van het modernisme en liet zich inspireren door het socialisme. In tijden dat Frank Lloyd Wright en Le Corbusier denkbeelden ontvouwden over stedenbouw voor toekomstige generaties, trok Van der Laan zich in eenzaamheid terug in de abdij van de Benedictijnen in Oosterhout. Hij koos ervoor om al mediterend het wezen van de architectuur te doorgronden. Ver weg van discussies over grondslagen van maatschappij, ruimtelijke ordening en kunst. In 1927 stopte hij met zijn studie. Werd monnik en duidelijk geen kind van zijn tijd.
Hans van der Laan was het negende kind uit een Leids architectengezin. Nadat hij in 1921 een jaar in het sanatorium had doorgebracht en zich door zelfstudie in hogere wiskunde had bekwaamd, studeerde hij aan de TH te Delft. Daar kwam hij in contact met de protagonist van het ‘Katholieke Bouwen’ professor Marinus Jan Grandpré Molière, die zich fel kantte tegen de ‘onmenselijke’ industrialisatie die na de Eerste Wereldoorlog vorm had gekregen in het Nieuwe Bouwen. Het Katholieke Bouwen, dat na De Tweede Wereldoorlog werd omgedoopt tot ‘de Delftsche School’ voerde het traditionalisme hoog in zijn vaandel en verzette zich tegen zaken als gewapend beton en platte daken. Aanvankelijk nam van der Laan nog enthousiast deel aan de studiegroep rondom Molière, maar haakte op enig moment toch af. Voor hem waren architectuur en katholicisme gescheiden zaken. “Zolang ik over architectuur heb gesproken, heb ik nooit een vroom woord laten vallen. Een vrome architect is net zo’n gek woord als een roomse timmerman en rooms bouwen is net zo gek als rooms koken”.
Van der Laan voelde zich niet aangetrokken tot het Nieuwe Bouwen noch geloofde hij in de reactionaire denkbeelden van de Delftsche school. Hij trad in het klooster en zocht individueel verder naar de essentie van de architectuur. Centrale vraag was: aan welke esthetische maatstaven een gebouw moest voldoen nu bleek dat bestaande stromingen als de Delftsche School en het Nieuwe Bouwen geen antwoorden gaven? Hij begon een alomvattende theorie te ontwikkelen.
Na de oorlog werd hij door zijn broer Nico van der Laan, eveneens architect, gevraagd de driejarige cursus Kerkelijke Architectuur in ‘s Hertogenbosch op te zetten. Voor Dom van der Laan de uitgelezen kans zijn pril gevormde esthetische denkbeelden los te laten op de leerling-architecten. Door de oorlogsschade en verwoesting was er behoefte om de naoorlogse kerkenbouw weer nieuw leven in te blazen, waarbij hij Domus Dei, ofwel Gods woning, benaderde als een huis gemaakt door mensenhanden. “Een kerk vraagt geen bijzondere architectuur, maar slechts architectuur zonder meer. Een kerk hoort alleen maar de ruimte te zijn die wij van nature nodig hebben voor beschutting en onderdak. Aan een woonhuis worden meestal meer eisen gesteld: men wil er kunnen koken, zich kunnen wassen of studeren”. Tijdens de opgezette cursus hield men zich bezig met het formuleren van voorwaarden die van toepassing waren voor een menselijk verblijf in het algemeen en niet specifiek in kerken. Toch bleef de naam ‘Kerkelijke Architectuur’ gehandhaafd. Later ontstond hieruit de Bossche School. Van der Laans theorievorming, die steeds meer gestalte kreeg, kwam hierin centraal te staan. Qua uiterlijke verschijningsvorm greep ze terug op Romeinse en vroeg-christelijke voorbeelden, zoals de basiliek. De Sint-Martinuskerk van Gennep uit 1954 van Nico van der Laan vormt hiervan een goed voorbeeld.
Volgens William Graatsma was Van der Laan niet geporteerd van bijvoorbeeld de gotiek. “De gotiek daagde in de ogen van Van der Laan de natuur uit. Nee, voor hem bestond er maar één leidende stijl en dat was de romaanse. Daarbij had hij de gave om in zijn analyse van de architectuur alles terug te brengen tot platen, blokken en staven. Hij had een morphotheek ontwikkeld, een kist met houten elementen van verschillende maat die hij kon ordenen en naast elkaar leggen zodat hij de gewenste maatvoering beter kon bestuderen.”
In 1956 werd Van der Laan gevraagd voor de uitbreiding van de Abdij St. Benedictusberg Vaals. Wat opvalt, is dat hij plots zijn ‘ingekiste’ Romeinse idioom laat varen en duidelijk kiest voor een tijdloze vormentaal. Na jaren denkwerk kwam hij met de theorie van het Plastische Getal op de proppen, die eerst in een Franstalige en later in een Nederlandstalige studie is uitgegeven. Het was een lang gerijpt inzicht dat handelt over de grondverhouding tussen afstanden in breedte, hoogte en lengte en dat uitdrukking geeft aan de wijze waarop mensen groottes onderscheiden. Wie in de crypte of de kerk van de abdij rondloopt, zal de symmetrische verhoudingen direct opvallen. De vormentaal getuigt van een ontnuchterende soberheid die ver afstaat van de barokke overweldiging van veel katholieke kerken. Geen opsmuk. Geen rondingen of bogen. Strak vormgegeven, bijna als een gebouw van de Japanse architect Tadao Ando. Het is veelzeggend in zijn tijdloos minimalisme. Licht valt zwak gefilterd, doch kleurloos binnen.
Ook in de kerk regeert de eenvoud, of in zijn woorden, “de nobillis simplicitas”. Het zijn ruimtes die het innerlijk gevoelsleven ruim baan geven omdat de architectuur zichzelf wegcijfert. Wie buiten komt, ontdekt het rood in het daglicht en kijkt anders naar de wereld.
In 1968 vertrok Van der Laan van Oosterhout naar Vaals waar hij koster werd en zich in die hoedanigheid mocht bezighouden met de vormgeving van tal van liturgische voorwerpen zoals schriften, vaatwerk, (kerkelijk) meubilair en kleding. Van de abt kreeg hij de ruimte om zijn stempel steeds duidelijker op het klooster te drukken. In 1977 verscheen zijn magnum opus, Architectonische Ruimte, dat het einde markeerde van vijftig jaar contemplatie en schrijven. Grote internationale erkenning viel hem te beurt.
Graatsma: “Hij was natuurlijk getekend door zijn jarenlange verblijf in het klooster. Kunst interesseerde hem niet. Of hij op de hoogte was van de politieke situatie weet ik niet. Ik betwijfel het. Zijn grootste verdienste ligt erin dat hij mensen tot denken heeft aangezet. Hij behoort tot die slechts heel weinigen in de architectuurgeschiedenis die een echte theorie heeft ontwikkeld. Hij was een fundamentalist. Zijn architectuuropvatting was beperkt, maar de reikwijdte van zijn theorie is welhaast oneindig.”
In het klooster bij Vaals zijn geen bloemen te zien, nog steeds niet: de erfenis van Van der Laan leeft voort. Zijn moeilijk te doorgronden theorie heeft via de kloostermuren van Mamelis zijn weg gevonden naar de internationale architectuurinstituten en wordt nog steeds toegepast. Dom Hans van der Laan had hij genoeg aan de ruimtes om een universele theorie te ontwikkelen. Hij was wars van opsmuk. Met bloemen wist hij zich geen raad. Die waren, in tegenstelling tot de architectuur, Gods werk.

Inkijk in de Benedictusabdij bij Vaals. foto NAi/Kim Zwarts