Achter grote kunstenaars gaan soms schurken en bedriegers schuil. Maar nu #MeToo ons denken bepaalt, moet ook de kunst zelf boeten. Er dreigt een nieuw moralisme, een censuur van onderop, meent HANNO RAUTERBERG. ‘Hoe verwerpelijk is het om goede films van een boosaardige acteur of regisseur te bekijken?’

De ergste straf voor een kunstenaar, erger dan de elektrische stoel, is de boycot. Als zijn films niet meer worden getoond, zijn schilderijen verbannen, zijn theaterstukken afgelast, dan is hij bij leven al dood. Het mes van de boycot doorsnijdt elke hoop: op verdienste, op roem, op de eeuwigheid.

Facebook moest zich voor de Franse rechter verantwoorden voor het
censureren van L’Origine du monde van Gustave Courbet.

De zich snel uitbreidende strijd over de positie van de kunstenaar is van een onvermoede heftigheid. Het is een strijd die veel verraadt over nieuwe angsten en verbleekte dromen, een strijd ook over hoe ver de vrijheid van schilders, muzikanten, schrijvers en acteurs nog mag gaan. Een strijd over de betekenis van kunst in de huidige tijd.
Toen hij afgelopen herfst ervan beschuldigd werd minderjarige jongens lastig te hebben gevallen, belandde steracteur Kevin Spacey midden in een mediastorm. Enkele dagen later werd hij uit de net voltooide film
All the Money in the World geknipt. Dat die ingreep zes miljoen dollar kostte, was geen probleem. Men heeft Spacey de das omgedaan, niet voor de rechter, maar op het doek. 
Hetzelfde lot dreigde voor Matt Damon, die een bericht in The New York Times over de wandaden van filmproducent Harvey Weinstein zou hebben verhinderd. Dat Damon én de krant het gerucht ontkenden, weerhield 30.000 mensen er niet van in een petitie te eisen dat de acteur alsnog uit
Ocean’s 8 wordt geknipt. Ook de beroemde modefotografen Mario Testino en Bruce Weber worden geboycot sinds modellen hebben geklaagd over seksuele intimidatie. En Chuck Close liet vorige maand een expositie in de National Gallery in Washington schrappen nadat enkele vrouwen hadden verteld dat hij hen in zijn atelier had lastig gevallen. De kunstenaar, die in een rolstoel zit, bezweert zijn onschuld: “Ik word gekruisigd.”
Of er werkelijk niets aan de hand was, moet nog worden aangetoond. Hopelijk gebeurt dat voor de rechtbank. Mogelijk zijn ze schuldig en hebben ze hun macht misbruikt. Maar ook als dat zo is, blijft de vraag waarom de kunst wordt aangevallen voor iets wat kunstenaars ten laste wordt gelegd? Waarom wordt de kunst verbannen naar de schemer en de guurheid van een kelder?

Atelier van Chuck Close.

Fans van Woody Allen, die in 1992 zijn zevenjarige adoptiedochter zou hebben misbruikt, laten weten dat ze zijn films niet meer kunnen en willen zien. Een theater in Connecticut heeft een toneelbewerking van een van zijn films uit het programma gehaald. De vraag is of Allen ooit nog een film zal regisseren nu acteurs hem ontlopen en filmstudio’s hem op afstand houden. Toen kort geleden in Parijs een retrospectief werd gewijd aan Roman Polanski, die in 1977 seks had met een 13-jarige, eisten woedende demonstranten stopzetting van het programma. Hoe verwerpelijk is het om goede films van een boosaardige acteur of regisseur te bekijken?
Voor veel mensen is het kennelijk een uitgemaakte zaak dat alleen een goed mens ook kunstenaar kan zijn. Terwijl het eeuwenlang totaal anders was: de onvoorwaardelijke liefde voor de kunst was ondenkbaar zonder je stiekem te verkneukelen over het daarmee gepaard gaande wangedrag. Hoewel hij een notoire bedrieger was en vier jaar lang als “gevaarlijke misdadiger” in de gevangenis zat, heeft niemand Karl May uit de canon verwijderd. Pablo Picasso werd vereerd als het genie van de eeuw terwijl iedereen wist hoe hij zijn echtgenotes en geliefden kwelde. Een van hen hing zich op, een tweede schoot zich door het hoofd, twee anderen werden waanzinnig.
Paul Gauguin, die een 13-jarige verleidde, kreeg geen expositieverbod. Alexej Jawlensky, die een 14-jarige bezwangerde, evenmin. En Lewis Carroll, die met zijn camera voortdurend naakte meisjes achterna zat, is nog steeds de bejubeld schrijver van Alice in Wonderland. Adolf Loos, de architect die de wereld beter wilde maken, werd wel veroordeeld – hij nam drie meisjes mee in bad om ze over hun hele lichaam te betasten – maar zijn roem bleef.

Kevin Spacey in American Beauty.

Lange tijd gold het als een privilege van de kunstenaars om naar de menselijke waarheid te zoeken. Avant-garde betekende: rebelleren tegen de burgerlijke moraal. Kunst betekende: ontstijgen aan de wereldlijke orde. Onbezwaard door de burgerlijke moraal trokken de kunstenaars van Die Brücke met meisjes de natuur in om ze te schilderen, naakt natuurlijk, soms met wijd gespreide benen. “Er gaat een grote bekoorlijkheid schuil in zulke reine vrouwen”, schreef Ernst Ludwig Kirchner aan een collega. Hun model, dat ze Fränzi doopten, was acht jaar oud.
Niet alleen kunstenaars wilden zich losmaken van de zedelijke beperkingen van hun tijd, ook daarbuiten, vooral in vooruitstrevende kringen, werd de compromisloosheid, de egomanie, ja zelfs het geweld begroet. Hoe radicaler, obscener en obscuurder, hoe beter. “Kunst kan alleen heftig, wreed en onrechtvaardig zijn”, stond in 1909 in het Futuristisch Manifest waarin de oorlog werd bejubeld en de vrouw geminacht.
Natuurlijk klonk ook toen protest en werd er geroepen om censuur. Toch vonden veel kunstvrienden dat een baanbrekend oeuvre amper tot stand kon komen zonder drugs en gerechtelijke veroordelingen. Het overschrijden van grenzen was standaard, in de kunst én in het leven. “Een schilderij vereist net zo veel list, slechtheid en verdorvenheid als een misdaad”, vond Edgar Degas. “Kunstenaars en misdadigers zijn als metgezellen”, stelde Joseph Beuys vast, “ze zijn zonder moraal, beschikken over een buitengewone creativiteit en worden gedreven door de kracht van de vrijheid.”
Het verwrongen plezier in tumult en het zoeken naar de waarheid in de roes van de extase heeft zich in de loop der jaren overbodig gemaakt. Wie zich onder jonge kunstenaars begeeft, komt geen Dionysische booswichten meer tegen. Liever dan het lichaam te ruïneren met alcohol en nicotine zoeken ze hun heil in de fitnessclub. Zocht de kunstenaar vroeger zijn heil in semi-illegale transcendentie, tegenwoordig gaat hij naar de yoga-cursus.
Daarmee zijn duisternis en doodslag geenszins verdwenen. In de bioscoop en op de tv gaat het onophoudelijk over misbruikte en gedode kinderen en ook op de bühne wordt veel kunstbloed vergoten. En monsters, onberekenbaar en half verweesd, van de zombie-hype tot grote Oscar-winnaar
The Shape of Water, horen tot de iconen in boeken en films. Maar de kunstenaar zelf mag geen monster zijn, onder geen enkel beding.
Het verlangen om al het oncontroleerbare van ons af te houden herinnert aan het leidende lust- en levensprincipe van deze tijd: aan suiker- en cafeïnevrije cola, aan alcoholvrij bier, aan de roes zonder roes. Aan een schnitzel van een gegarandeerd gelukkig gedood varken. Aan alle schizoïde pogingen van de moderne mens al zijn lusten bot te vieren – mits het geweten schoon blijft.
Dat geldt vooral voor de nieuwe middenklasse die zich laat voorstaan op ethisch consumeren en tegelijkertijd sympathiseert met kunstenaars omdat die zo heerlijk creatief, onconventioneel en polyglot zijn. Veel mensen hopen op een non-conformistisch, niet vervreemd leven. Niet toevallig zijn het juist de deugden die daarvoor nodig zijn, zoals spontaniteit, mobiliteit en creativiteit, die het huidige, digitaal ingerichte bestaan van hen vraagt. Het vervelende is dat de goede oude neiging van kunstenaars naar (zelf)destructie, geweld, smeerlapperij en waanzin niet goed past bij de carrièredrang van die nieuwe middenklasse. Dus moeten de schadelijke elementen van het kunstenaarsbestaan worden weggefilterd.
Alleen zo valt uit te leggen waarom zelfs grote musea zo schichtig reageren en exposities schrappen wanneer een kunstenaar in een kwaad daglicht komt te staan. Ze hebben smetvrees. De schilderijen zijn niet beter of slechter dan voordien, alleen de totstandkoming geldt als dubieus. En omdat het leven van de kunstenaar kennelijk meer gewicht in de schaal legt dan zijn werk, wordt de kunst onder quarantaine geplaatst.

Open Casket (2016) van Dana Schutz zou volgens critici vernietigd moeten worden
omdat met het doek het leed van de zwarte medemens zou worden geëxploiteerd.

Niemand wil het uitgelaten monster van Nietzsche terug, noch de tirannieke regisseur of de arrogante machoschilder, en al helemaal niet de kwelgeest van vrouwen en kinderen. De driften van het genie in badjas wil niemand goedpraten.
De romantisering van het creatieve wangedrag is voorbij – waarmee we, geen misverstand daarover, afrekenen met een vijf eeuwen oude consensus over het kunstenaarschap. In die opvatting kwam de ontketening niet zozeer vanuit de kunstenaar zelf; het was eerder zijn omgeving die een relatie tot het hogere, het mooie, het verschrikkelijke en uiteraard ook het goddelijke aan hem toeschreef. Het was alsof de creërende kunstenaar een belichaming was van de Schepper zelf. Ook daarom werd hij als onaantastbaar beschouwd. Een god kan niet zondigen, en als hij het doet, dan alleen om zijn onovertroffen eigenzinnigheid aan te tonen.
Caravaggio, de barokschilder die anno nu voor zijn kunstenaarsbestaan had moeten vrezen, is door zijn biografen in zo donker mogelijke kleuren neergezet. Hij is enkele malen veroordeeld: hij gaf een rivaal een pak slaag en stak een andere concurrent op achterbakse wijze neer. Voor veel kunsthistorici was dat niet genoeg. Ze omschreven hem als een vechtersbaas, een bedrieger, een man uit de goot die met hoeren omging en jonge jongens begeerde. Het drama van zijn dagelijkse leven werd gebruikt om zijn bestaan als kunstenaar meer cachet te geven. Ook omdat hij zich losmaakte van de wereld en haar morele begrenzingen werd hij gezien als het prototype van de autonome kunstenaar.
Renaissance-beeldhouwer Benvenuto Cellini pleegde drie moorden maar ging vrijuit omdat mannen als hij volgens paus Paulus III “niet aan de wet onderworpen moeten zijn.” Beeldhouwer Leone Leoni liet zijn assistenten ombrengen en werd door keizer Karel V overvoerd met opdrachten. Gianlorenzo Bernini liet uit jaloezie het gelaat van zijn geliefde stuksnijden maar omdat paus Urbanus VIII hem roemde als een “zeldzaam mens” kreeg hij absolutie.
Zelfs Jörg Immendorff profiteerde nog van de rituelen van de grootmoedigheid toen hij in 2003 na een met negen prostituees en een hoop cocaïne opgeleukt feestje werd veroordeeld en prompt van de Duitse bondkanselier Schröder de opdracht kreeg zijn portret te schilderen. Omdat Schröder zich als een niet te temmen vrije geest zag, als een statelijke bohemien.
Desalniettemin geldt tegenwoordig het fatsoen als het hoogste ideaal waar de kunstenaar naar moet leven. Daarmee verandert de functie van de kunst radicaal: ze moet inspirerend en versterkend zijn, spannend als een bungee jump – maar neerstorten is niet toegestaan. De kunst die het monster in de mens naar boven kan halen en zo het concept van het zichzelf beheersende subject ondergraaft, is niet langer gewenst. Elke pijnlijke waarheid wordt vermeden; de kunstenaar wordt gebruikt als getuige van de pijnloosheid.
Mogelijk heeft deze tijd dit soort kunst nodig. Nu we de grenzen aanhalen in plaats van oprekken, waartoe zouden we de kunstenaar als grensverlegger nodig hebben? Als tal van vanzelfsprekendheden overboord gaan en alles in twijfel wordt getrokken, zijn de kunstenaars als meesters van de ambivalentie dan niet uitgerangeerd? En wie gelooft nog in genieën nu zelfs de Amerikaanse president zich daartoe rekent.
In de 20
e eeuw keken velen met jaloezie naar de egomane kunstenaars. Nu tegenwoordig bijna iedereen rond zijn eigen ego cirkelt, moeten juist de kunstenaars behoedzaam en omzichtig opereren. Zo dendert de normalisering van het abnormale met volle kracht verder. In een tijd waarin iedereen uniek wil zijn, is de kunstenaar geen uitzonderlijke figuur meer. Nu iedereen bohemien wil zijn, moet de kunstenaar zijn daden op burgerlijke wijze kunnen rechtvaardigen.
Daar is niets tegen. Maar wat als niet alleen de levenswandel van de kunstenaar, maar ook die van de kunst verdacht wordt gemaakt? Zo belangrijk als het is om een kunstenaar die misbruik maakt van zijn vrijheid voor het gerecht te brengen, zo desastreus is het om ook van zijn werken een pijnlijke trouw aan wet en moraal te verwachten. Toch is juist dat wat er nu gebeurt: kunstwerken worden getoetst op hun standpunten en gezindheid. Een schilderij van Balthus, zo verlangde onlangs een petitie, moet van de muur omdat het pedofiele blikken zou aantrekken. Een werk van de blanke kunstenares Dana Schutz zou vernietigd moeten worden omdat met het doek het leed van de zwarte medemens zou worden geëxploiteerd.

Dana Schutz beschimpt op social media.

Er dreigt een nieuw moralisme, een censuur van onderop, en als de kunstwereld niet oppast kan het haar vergaan als de sigarettenindustrie. Eerst was er de strijd tegen het roken, nu moet ook tabaksconsumptie in bioscoop en op tv worden verboden. Hoe een reëel protest doorslaat en verwordt tot symboolpolitiek.
Curatoren die kunstenaars op afstand houden, filmproducenten die acteurs buitenspel zetten en intendanten die opvoeringen schrappen bevorderen het nieuwe reinheidsdenken. Ze zijn bang beschuldigd te worden van verkeerde vriendschappen waardoor het publiek kunstenaars gaat verachten en achterwege laat een verantwoorde presentatie van hun werk te eisen. Dat de kunst een vrije en losbandige verhouding tot de werkelijkheid onderhoudt, dat ze immoreel moet kunnen zijn en dat een kunstwerk veel meer is dan een psychogram van zijn maker, raakt dan snel in de vergetelheid.
De grote Leonardo da Vinci hing ooit een kattebelletje aan een van zijn werken: “Niet onthullen als je vrijheid je lief is.” Bij wijze van grap wilde hij waarschuwen voor de risico’s van de kunst. Een kunstwerk kan je ketenen, bruuskeren, in lichterlaaie zetten, en dat is goed. Want risicoloze kunst bestaat niet.

©Die Zeit. Vertaling Wido Smeets