Ode aan de klei

Eruit halen wat erin zit is zo’n beetje het adagium bij het Europees Keramisch Werkcentrum (EKWC) in Oisterwijk. Directeur Ranti Tjan heeft aan die naam Sundaymorning toegevoegd, met reden. Het zondagmorgengevoel is bij EKWC onbekend, er wordt 24/7 gewerkt, door kunstenaars, ontwerpers en architecten uit de hele wereld.

Neem Cristiana Vignatelli Bruni, een Italiaanse architecte die in Den Haag sonologie ging studeren en drie maanden als resident in EKWC verbleef. Haar werk als kunstenares is moeilijk te vangen, het is een mengvorm van beeldende kunst, geluidskunst en performance.

In de groepstentoonstelling Ceramic on the Spot – Feel the EKWC Vibe! in Willem Twee in Den Bosch is ze vertegenwoordigd met twee keramische dodenmaskers. Ze hebben oortjes in, de draden komen meters verderop uit in twee porseleinen borden die als vliegende schotels in de ruimte hangen. Alleen: de oortjes zijn geen mini-luidsprekers, maar microfoons. Elk geluid in de buurt van de maskers komt even verderop versterkt uit de twee schotels.

Ceramic on the Spot toont een staalkaart van wat er zoals bij EKWC wordt gemaakt – en nee, er zitten geen pottenbakkers tussen. Alles kan en mag in het centrum, niemand komt in de verleiding om met vingervlugge handen achter een draaibank te zitten om van een natte homp klei een pot, vaas of urn te maken. Integendeel, de meeste van de 22 kunstenaars in Willem Twee experimenteren met vormen, technieken en stijlen. Er komt van alles uit – behalve klassiek keramiek. Big Building (2013) van Tilmann Meyer-Faje lijkt een met papier-maché geknede ruïne van een half ingestorte woontoren. Muur (2018) van Chikako Watanabe heeft alles weg van een opgespannen dierenhuid in een houten raam – de ‘huid’ is echt van keramiek. In de textiele wandkleden van Mariëlle van den Bergh gaan schuimporseleinen vormen schuil, Marga Knaven drapeert stukken gesneden leer over een sokkel – u raadt het al, het is geen leer maar porselein.

Behalve een ode aan de klei – in de parallelpresentatie in Artots/De Melkfabriek staat, heel treffend, een kist met gebakken hompen aarde – is Ceramic on the Spot vooral een aubade aan het technisch vernuft dat het EKWC in een halve eeuw heeft opgebouwd. Keramiek maken is ploeteren, de mist ingaan, scherven oprapen en opnieuw beginnen – en altijd weer met rode oortjes staan wachten op wat er naar buiten komt als de oven is afgekoeld en de deur openzwaait. Hoe het ook uitpakt, het is altijd weer een wonder.

Ceramic on the Spot – Feel the EKWC Vibe! Van 14/12/19 t/m 19/1/20 in Willem Twee en Artots in Den Bosch. willem-twee.nl artots.nl


 

Jan Hendrix, The Yagul Tapestries IV, 2018 (detail). foto Zuiderlucht

 

Ontdaan van alles

Het is een ontroerend weerzien. Niet met de kunstenaar, van wie we niet eerder hadden gehoord, maar met de dichter. In een van de vitrines van Tierra Firme liggen boeken met werk van Hans van de Waarsenburg (1943-2015), de in Helmond geboren dichter die het grootste deel van zijn leven in Maastricht woonde. Het is fijn een dichter aan te treffen in een museum. Poëzie zit dichter bij de vergetelheid dan beeldende kunst – al weten we dat niet helemaal zeker.

In die vitrines liggen ook groot-formaat-boeken met teksten van Seamus Heaney en Gabriel García Márquez. Net als die van Van de Waarsenburg zijn de tekeningen in die boeken van Jan Hendrix, de kunstenaar die zijn werk onder de noemer Tierra Firme tentoonstelt in het Bonnefantenmuseum in Maastricht

Jan Hendrix (1949) is een boerenzoon uit Maasbree die tegen de wil van zijn vader kunstenaar werd. Door de liefde belandde hij op jonge leeftijd in Mexico waar hij sindsdien woont. Terugkeren naar Nederland doet hij om die schitterende boekwerken te laten drukken in Banholt, of all places. En nu dus, voor de tentoonstelling Tierra Firme (te vertalen als vasteland, het is ook de naam van een kustprovincie in Mexico), die een glimp geeft van zijn internationale staat van dienst. De presentatie is een afgeleide van de grote overzichtstentoonstelling die Hendrix eerder dit jaar had in Mexico-Stad, waar ook 3D-werk van hem werd getoond.

Het Bonnefanten laat vooral zijn grafisch productie zien, zoals tweeduizend kleine zwart-wit zeefdrukken, strak in het gelid op een vijftien meter lange wand. Ertegenover hangen afdrukken met korte teksten die laten zien dat, vrij naar Leonardo da Vinci, de natuur inspiratie noch decor is. De natuur ís kunst, en de kunst natuur. Elke verwijzing naar het hier en nu is bellenblazerij.

Een van de prints laat zien hoe Hendrix de bomen die hij ziet al tekenend van hun bladeren en takken ontdoet. Ontdaan van alles blijven ze achter in zijn schetsboek; kaal, fier, tekenen van tijdloosheid. Het handschrift eronder is al even stakerig.

De twee corridors met grafisch werk leiden naar een vierkante zaal met The Yagul Tapestries, het klapstuk van de tentoonstelling, vier gigantische wandkleden met natuurlandschappen in zwart-wit, geweven van zijde, wol en chenille. De daarbij gebruikte, 18e eeuwse Franse weeftechniek, die ook bij jonge kunstenaars weer in zwang is, maakt het mogelijk de subtielste wending in het getekende ontwerp over te brengen op het stof.

De landschappen mogen Midden-Amerikaans zijn, de inspiratie ervoor haalde Hendrix uit de vertaling van Seamus Heaney van de Aeneas, het meer dan 2000 jaar oude gedicht van Vergilius over de oorsprong van Rome. Het was de met beiden bevriende Hans van de Waarsenburg die dichter en kunstenaar bij elkaar bracht.

Jan Hendrix, Tierra Firme. Van 26/11 t/m 26/4 in het Bonnefantenmuseum in Maastricht. bonnefanten.nl


 

Koen Vermeule, Baarsjes, 2003

 

Weerzien met de schijtende man

“Laten we beginnen bij het begin”, moet Noëlle Kemmerling hebben gedacht toen ze afgelopen najaar aantrad als artistiek leider van cultuurhuis Schunck in Heerlen. Dat trof: de gemeentelijke kunstcollectie bleek 75 jaar oud te zijn. Tijd voor een feestje.

Haar eerste expositie, Department Store, gaat over de geschiedenis van die collectie – waarvan de eerste echte aankoop trouwens uit 1954 stamt. De eerste gemeentelijke expositie is wel 75 jaar geleden.

De tentoonstelling is onderverdeeld in vier departementen: portretten, stillevens, landschappen en mixed media. Dat er vooral schilderijen te zien zijn, is niet zo vreemd. De collectie is vanuit de schilderkunst opgebouwd, in 2007 was het Stijn Huijts, Schunck-directeur tot 2012, die met deze traditie brak. Een van de prangende vragen daarbij was: wat maakt een schilderij een schilderij? En nee, een vaste ondergrond, een kwast en een pallet met kleurige kwakjes verf was niet langer het passende antwoord.

Het in vier subgenres onderverdelen van de tentoonstelling blijkt niet altijd even gelukkig. Sint Franciscus (1943) van Aad de Haas hangt bij de portretten, terwijl het qua formaat, compositie en mysticiteit vergelijkbare Meisje en kosmos (1954) van Eugéne Brands, een van de pronkstukken van de expositie, bij landschappen hangt.

Trouwens, kun je een abstract werk van de Cobra-jongens als stilleven, landschap of portret betitelen? Waarom zou je dat überhaupt doen? Was dat niet juist waar ze vanaf wilden?

Ook de context is niet altijd gelukkig. De zaalteksten zijn soms discutabel, de taalbeheersing is niet je-van-het. “Mensen kijken graag naar soortgenoten, om te bepalen ‘wie ben ik’ ten opzichte van de ander, maar evengoed voor een stukje herkenning”, lezen we bij de afdeling portretten. Een moedige poging om museumjargon te mijden is het wel.

De ontmoeting met de getoonde werken verloopt beter. Het doet deugd om Brixxx, de lekker vet geschilderde schijtende man van Erik van Lieshout weer eens op zaal te zien. Dat geldt ook voor het schurende Mystiek portret van Rik Meijers – waarom horen we nog zo weinig van hem? – en het romantisch-mysterieuze, loepzuivere Baarsjes van Koen Vermeule. Het zijn blijvertjes in een collectie die, zoals de meeste over generaties heen gegroeide verzamelingen, niet altijd even consistent is. En bij recentere aankopen, zoals de Selfies Serie van Tanja Ritterbeckx en de Ochtendnaakten van Lotte van Lieshout wachten we graag het oordeel van de geschiedenis af.

Een belangrijke bijdrage aan de beleving van Department Store is het magnifieke tentoonstellingsontwerp van Maurice Mentjens. Het per ‘department’ wisselende materiaalgebruik en het doordachte gebruik van de ruimte maken dat je ongemerkt overgaat van de ene ‘afdeling naar de andere, en dat vergezichten waar nodig intact blijven. Er zijn grote musea waar dat een stuk minder is.

Department Store – 75 jaar beeldende kunst in Heerlen. Van 13 oktober t/m 15 maart in Schunck Heerlen. schunck.nl


 

Een jurk uit 1959 van Yves Saint Laurent. Borduurwerk met kristallen, parels en pailletten door
Maison Rébé. Collectie: Swarovski Corporate Archive. foto Zuiderlucht

 

Pronkzucht als harnas

In de tv-serie The Crown over het Britse koningshuis ergert prins Philip zich aan de opsmuk van zijn kleding. De overdadige decoratie is verordonneerd door de regering om een goede indruk te maken tijdens koninklijke bezoeken aan opstandige Britse koloniën.

Bij het passen van de kostuums vergelijkt hij ze met een krakkemikkige auto die glimmend wordt overgespoten om het idee te geven dat alles hunky dory is – juist als dat níet het geval is. “Als de kostuums maar statig genoeg zijn, de tiara glinsterend, de symboliek onbegrijpelijk”, mokt de prins, “zal alles wel in orde zijn”.

De tentoonstelling SMUK in Modemuseum Hasselt focust op belang en verloop van decoratietechnieken in de Westerse mode van de afgelopen 250 jaar. Sinds het ontstaan van haute couture onderscheiden de grote modehuizen zich niet enkel in stijl, maar ook in opschik. In Schmuck, zoals de Duitsers zeggen, of in niet zo gangbaar Nederlands: smuk. Kostbare, handgemaakte smuk onderstreept het beeld van pracht, praal en ijdelheid. Van trots als een pauw en daarmee uiteindelijk van het gevoel van onoverwinnelijkheid.

SMUK brengt in kaart hoe ontwikkelingen in mode verlopen. Daarbij is ruim aandacht voor de sociale en economische context, zoals de vraag of met de opkomst van ‘ateliers’ in lagelonenlanden de techniek van exorbitante modedecoratie aan verandering onderhevig is.

Diverse soorten en betekenissen van modeopsmuk, gekoppeld aan periodes in de geschiedenis én aan nuanceverschillen tussen modehuizen onderling komen in de expositie aan de orde. Er zijn jurken te zien van Christian Lacroix en Dior, ware kledingkunstwerkjes van Dolce & Gabbana, maar ook mode van ontwerpers als Iris van Herpen, Ann Demeulemeester en Dries van Noten. Artificiële bloemen, gespen, wulpse strikjes, edelstenen, glinsterende pailletten, borduurwerk en pluimen vechten er om aandacht, als in een catfight.

Met enige zelfkennis verklaart het museum al in de subtitel SMUK. Decoratie in de mode, een show-off dat deze expositie over pronkzucht gaat. Het is inderdaad een lust voor het oog. De vormgeving, de manieren van presentatie en de begeleidende catalogus zijn feestjes op zich. De fotografie is subliem en ingetogen. En zelfs less-is-more diehards zullen in alle overdaad, naar concept van Karl Lagerfeld, moeten herkennen hoe mode in staat is de realiteit te kunnen interpreteren.

Hoe zwaarder de tijden hoe buitensporiger de kleding. In SMUK is voelbaar hoe juist excessieve mode, door welk modehuis in welke tijd ook ontworpen en door welk atelier waar dan ook gemaakt, de functie heeft van een harnas. De geïrriteerde prins Philip had gewoon gelijk natuurlijk.

SMUK. Decoratie in de mode, een show-off van 12/10/19 t/m 8/3/20, in het Modemuseum Hasselt. modemuseumhasselt.be