In de reeks ‘Studio’ zoekt JOEP VOSSEBELD kunstenaars op in hun werkomgeving. In het eerste deel klopt hij aan bij Marc Claes. “Als ik een nieuw schetsboek krijg, denk ik alleen maar: het moet vol tot de laatste bladzijde.”

Marc Claes staat op me te wachten wanneer ik kom aanrijden. Achter de half open voordeur van zijn huis ligt een stapel gipszakken, eergisteren ging Claes’ boiler kapot. “Het water golfde van de trap, echt sjiek om te zien. Maar nu is het hele stucwerk doorweekt.” Hij trekt de deur van een witte bestelbus open: “Dit is mijn andere woning, maar die is misschien wat krap voor twee.”

Een groot deel van het jaar reist Maec Claes langs de kusten van Spanje en Portugal om te surfen, hij woont dan maandenlang in zijn busje. “En ik heb ook nog mijn atelier achter in de tuin, maar daar mag niemand binnen.”
Dat belooft wat, voor een ateliergesprek. In de tuin dan maar? “Ik moet je waarschuwen”, zegt hij wanneer we achterom lopen, “het is nogal een vreemde tuin. Zoals in Jambers, kent ge die?”
De tuin is een groene oase, met in het midden van het gazon een vijf meter hoog bouwwerk dat er door een buitenaardse hand lijkt neergesmeten. Een kunststof Inca-heiligdom, gemaakt door een bevriende kunstenaar, Philip Metten. “Ik was al jaren aan zijn jas aan het trekken om een kunstwerkje te ruilen. Op een middag belt hij me: ‘Ik heb wel iets. Misschien is het ietsje groter dan je voor ogen had’.” Het halve dorp liep uit toen een oplegger met kraan het beeld kwam afleveren.
Marc Claes (Heusden-Zolder, 1970) studeerde in Gent, woonde in Antwerpen en zwierf jarenlang door Afrika en Europa, met als enige woon- en verblijfplaats zijn bestelbus. Sinds zeven jaar woont hij weer in zijn geboortehuis.

Was het moeilijk om na al die jaren terug te keren?
“Het was confronterend. Je hangt overal de vrijgevochten kunstenaar uit en dan kom je terug tussen de mensen die je hebben zien opgroeien. Iedereen noemde me weer Marcske. Alsof er in al die jaren niks veranderd was. Nu zou ik niet anders meer willen, deze mensen kennen me. Maar toen ik ging studeren, wilde ik zo ver mogelijk weg van hier.”
Op het Sint-Lucas in Gent experimenteerde hij met allerlei media en technieken. De uitkomst was dat hij bij zijn eindexamen werd uitgesloten van de afsluitende tentoonstelling. “Het was de afdeling schilderkunst en ik had natuurlijk geen enkel schilderij gemaakt.”

Op zijn 32ste werd hij tot zijn verbazing toegelaten aan het prestigieuze HISK, de postacademische opleiding in Antwerpen. Een fijne plek met grote ateliers, waar hij in alle rust schetsboek na schetsboek vulde.

Wat dacht je: nu gaat mijn carrière eindelijk beginnen?
“Toen ik werd aangenomen voelde dat inderdaad zo. We mochten zelf voordragen met welke mensen uit de kunstwereld we graag een gesprek wilden. Ik maakte een lijstje met mijn oude helden: Leo Copers, Jef Verheyen en Angel Vergara. Ik moest op kantoor komen, ze vonden de mensen die ik had voorgesteld niet erg actueel. ‘En Jef Verheyen wordt lastig’, zeiden ze, ‘want die is al twintig jaar dood’.”
Na het HISK raakte Claes jarenlang geen schetsboek meer aan. Zijn ideeën van schoonheid en vakmanschap botsten met de heersende opvattingen over beeldende kunst. Het pretentieloze tekenen moest plaats maken voor serieuze productie. Daarmee verdween zijn plezier in het werk.

“Op een dag gaf iemand me The Stormrider Surf Guide Europe, een boek met alle goede golfsurfplekken van Europa. Man, er ging een wereld voor me open! Ik ben meteen een surfboard gaan kopen en via Frankrijk langs de kust naar Portugal gereden. Wekenlang elke dag acht uur aan één stuk in het water: peddelen, proberen staan, omvallen en weer opnieuw. Na een maand lukte het nog steeds niet. En toen, op een middag, ging er opeens een knop om. Het ging vanzelf. Het was niet langer ik tegen de golven, Marc tegen de zee, maar het was Marc mét de zee. Ik liet me sturen, want de zee en ik, we wilden hetzelfde.”
Op een goede avond begon het zowaar weer te kriebelen. Een kampvuur op het strand, de maan weerspiegeld in de zee, een vader die zijn zoontje aan de armen ronddraait. Momenten om vast te leggen. Het worden inkttekeningen, gemaakt uit plezier, niet met het idee om kunst te maken. De volgende ochtend hebben slakken stukken van het tekenpapier weg geknabbeld. Vanaf dat moment begint hij al zijn oude tekeningen te verknippen en te kopiëren, om te verwerken in manshoge collages. Laag voor laag mengen tekening, verf en knipsels zich tot bonte patronen, die net als een wateroppervlak nooit helemaal stil blijven staan.

Is tekenen voor jou eenzelfde bezigheid als skaten of surfen, waarbij je een beweging ook voortdurend moet herhalen om ze te beheersen?
“Zo heb ik er eigenlijk nog nooit naar gekeken. Ik moet alles gewoon heel vaak doen. De hele dag een skateboardtruc oefenen, urenlang in het water. En als ik een nieuw schetsboek krijg, denk ik alleen maar: het moet vol tot de laatste bladzijde.”
We lopen naar een witte container achter in de tuin, zijn atelier, de deur mag toch even open. Er ligt een groot werk op de vloer, een collage uit 2002 die hij opnieuw onderhanden neemt.

Als zo’n werk voortdurend in verandering is en nu, zeventien jaar later, weer onder handen wordt genomen, kan er bij jou dan nog wel iets mislukken?
“Laat ik het zo zeggen. Ik snap de surfers niet, die de zee willen temmen. Ik ga die golf pakken, zeggen ze dan. Als ze vallen, slaan ze van frustratie op het water. Ik vind dat respectloos. Ge klopt niet op de zee! Net zoals ik nooit op een tekening zal kloppen als die niet wordt wat ik wil. De tekening kan er niks aan doen, net zoals de zee er niks aan kan doen.”