De Verkadefabriek in Den Bosch geldt als een van de succesvolste cultuurcentra in Nederland. Er komen jaarlijks zo’n 260.000 bezoekers, het complex is maar voor een kwart van de omzet afhankelijk van subsidie. Waarom lukt in Den Bosch wel wat in zoveel andere steden maar niet van de grond komt?

In de planfase belooft elk nieuw cultuurcentrum een succesvolle tempel van kunst en cultuur te worden. In de praktijk pakt het dan heel anders uit. Neem de problemen bij Schunck in Heerlen, zie het tranendal bij ECI Cultuurfabriek in Roermond: cultuurverzamelgebouwen vormen vaak een bron van ellende. Directeur Jan van der Putten van de Verkadefabriek in Den Bosch kent de voorbeelden. “Soms komt er ook nog een nieuw bestuur waarin iedereen een beetje te zeggen heeft”. De keiharde voorwaarden tot succes? “Het lukt alleen als er heel duidelijk één lijn kan worden getrokken, als er sprake is van een echte verknoping en één vlag.”

De Verkadefabriek doet het vanaf de start, tien jaar geleden, boven verwachting. Zo’n zesduizend activiteiten vinden er jaarlijks plaats, de kleine meegerekend. Theater, film, cabaret en debat vormen de hoofdmoot. Er is een café-restaurant en een grote lounge. Gezelschappen als Matzer Theaterproducties, Theater Artemis en Panama Pictures hebben er hun thuisbasis, net als festivals als Boulevard, November Music, de Nederlandse Cabaretdagen en Cement (dat ooit óók in Maastricht werd georganiseerd).

Bij de opening in 2004 werd voorzichtigheidshalve ingezet op 56.000 bezoekers per jaar. Ter vergelijk: ECI in het veel kleinere Roermond calculeerde in het eerste jaar al op 250.000 bezoekers per jaar. Bij Verkade kwamen na twee jaar 132.000 bezoekers, in het tiende jaar van het bestaan kwam de teller tot 260.000

In een wereld waar de succesverhalen niet voor het oprapen liggen, zijn dat cijfers die aanspreken. Mensen van elders komen dan ook graag de kunst afkijken in Den Bosch. Van der Putten adviseert regelmatig elders in het land. Ook ECI Cultuurfabriek in Roermond stak al het licht op bij de voormalige koekjesindustrie in Den Bosch. De Maastrichtse Timmerfabriek, nog in ontwikkeling, kwam langs om ideeën op te doen.

Jan van der Putten, directeur van de Bossche Verkadefabriek: “Als je invloed te groot wordt in een relatief kleine stad, wordt de gunfactor minder.” Foto: Frank Slijpen.

Directeur Van der Putten spreekt met hartstocht over cultuur, maar schakelt gemakkelijk –soms zelfs binnen een zin – naar het jargon van de ondernemer. Dan heeft hij het over “merk en verpakking” of trekt vergelijkingen met warenhuizen. “Daar is de store-in-a-store een succesvol fenomeen. Hier in de Verkadefabriek werkt het net zo.”

Zakelijkheid is geen vies woord voor de directeur. “Zonder afbreuk te doen aan het artistieke moet je willen inzien dat kunst onderdeel is geworden van de vrijetijdsindustrie. Vroeger was publiek veel trouwer aan een gezelschap of een bepaald theater. Nu maakt het veel onafhankelijker en ook later zijn keuze. Het aanbod is de laatste decennia vervijf-, misschien wel vertienvoudigd. Zelfs in middelgrote steden als Den Bosch en Maastricht zijn er elke dag heel veel dingen tegelijk te doen. Je moet met iets heel goeds komen.”

Directeur worden was geen jeugddroom van Jan van der Putten (Drunen, 1959). Wel stak hij altijd snel een hand op als er vrijwilligers of een bestuurder nodig waren. Hij richtte zelf een aantal verenigingen en stichtingen op. Na een studie Nederlands in Nijmegen zocht hij de verdieping en verbreding via theaterwetenschappen in Utrecht. Daar raakte hij bevangen door de magie van podia. Eenmaal terug op de Brabantse geboortegrond richtte hij in 1982 Theater BIS op. “Een tijd met veel liefdewerk oud papier”, zegt hij terugkijkend, maar ook een periode waarin Nederland een levendig ‘derde circuit’ kende, allerhande kleine podia. Zo had je in Sittard bijvoorbeeld Sirkel en het Löss Theater in Maastricht.

In Den Bosch ontstond een levendig toneelklimaat, maar in de loop van de jaren negentig zag Van der Putten ook grenzen in zicht komen. “De feitelijke mogelijkheden bleven achter bij de artistieke ambities. We bleven een reservaat, hadden te weinig positie in de stad. We leken een beetje op de kleine winkeltjes die iedereen fantastisch vindt, maar waar maar weinig mensen komen. We waren ook te afhankelijk van de overheid. Tachtig procent van de inkomsten kwam binnen via subsidies. Elke dag had je weer een apart deelgroepje van de markt binnen: dan het publiek voor een kindervoorstelling, vervolgens de belangstellenden voor dans en daarna weer architecten voor een of ander evenement. Die mensen ontmoetten elkaar nooit. Wat de stad nodig had, was een plek waar cultuur altijd leefde. Een plaats met reuring, waar je elkaar tegenkwam.”

Een voormalige mavo in het centrum leek een mooie kans. Toen bleek dat de verbouwing daar wel erg kostbaar ging worden, kwam de voormalige Verkadefabriek in beeld. Vanaf het eerste begin had Van der Putten de leiding, naar eigen zeggen hield hij vooral de samenhang goed in het oog. “Zo zijn we tegen het advies van de gemeente ingegaan om de horeca te verpachten. Het café-restaurant vormt het cement van het gebouw. Daar moet je de sfeer zelf kunnen bepalen.”

De Verkadefabriek houdt grotendeels de eigen broek op. De activiteiten, verhuur van zalen en horeca zorgen voor inkomsten. “We hebben ook een eigen parkeerterrein. Belangrijk, want mensen die niet in de binnenstad wonen, komen toch

Chillen bij de Verkadefabriek. Foto: Angeline Swinkels.

graag met de auto. En we verdienen er ook nog aan.” Overheidssubsidies vormen een kwart van de inkomsten.

Van der Putten wil die afhankelijkheid nog kleiner maken. Sinds twee jaar onderhandelt hij met de gemeente over de aankoop van het pand. Bezoekers en bedrijven kunnen daarvoor dan aandelen kopen. “Het maakt dat wij het hier in huis helemaal zelf voor het zeggen krijgen en het creëert een ander soort betrokkenheid bij de Bosschenaren. De aandeelhouders krijgen invloed via vergaderingen, geen dividend. Voor mensen die aangeslagen worden voor het hoogste belastingtarief is het extra aantrekkelijk. Die mogen 125 procent aftrekken.”

Onderzoek toont aan dat de belangstelling er is. “Al weet je het pas zeker, als je het echt probeert. Veel cultuurinstellingen zijn zo ooit begonnen. Het Concertgebouw in Amsterdam is altijd van particulieren geweest. Veel andere steden hadden sociëteiten.”

Duidelijkheid moet komen na de recente raadsverkiezingen als gevolg van gemeentelijke herindeling. “Het vorige college stelde voorwaarden aan de verkoop, onder meer op het gebied van erfpacht, waarmee we grote problemen hebben. We hopen nu op beter.”

De Verkadefabriek is inmiddels ook buiten het eigen pand actief. De cultuurorganisatie speelde een belangrijke rol bij de redding van de boekhandel Heinen, een van de winkels uit de boedel van de failliet gegane keten Selexyz. En verzorgt ook een deel van de filmprogrammering van podia buiten de stad, bijvoorbeeld in Helmond en Tiel. Van der Putten zegt zich niet willen overeten, hij waakt zogezegd voor imperial overstretch. “Bovendien: als je invloed te groot wordt in een relatief kleine stad, wordt de gunfactor minder. Den Bosch is nu trots op de Verkadefabriek. Dat willen we graag zou houden.”

Na koekjes en sigaren kwamen de kunsten

Niet alleen de lekkernijen die er werden gemaakt, ook de meisjes die er werkten waren een begrip. Tot de Verkadefabriek in Den Bosch in 1993 dicht ging. De Frou Frou’s, Café Noirs en andere koekjes werden voortaan in Zaandam gebakken. Daarna stond het pand, aan de noordkant van het centrum, lang leeg.

In 2002 vormde architect Hubert-Jan Henket het complex om tot een kunstencentrum dat in 2004 open ging. Met groot succes. Tegenover de Verkadefabriek ligt de voormalige Willem II sigarenfabriek, waar al 25 jaar het popodium W2 is ondergebracht.