De kunstenaar moet analyseren wat er is gebeurd, vond de Duitse schrijver Peter Weiss (1916-1982). Zijn experimenteel proza is vrijwel vergeten. Ten onrechte, oordeelt BEN VAN MELICK.

Peter Weiss is een bijna vergeten kunstenaar/schrijver van literair proza en toneel. Die status is onterecht, ook al was Weiss een modernistisch auteur en geen toegankelijk schrijvende romancier zoals zijn tijdgenoten Heinrich Böll en Siegfried Lenz.

Toch schreef hij werken die nog steeds impact hebben. Het prachtige Afscheid van mijn ouders uit 1961 is een even invoelend als afrekenend portret van zijn vader en moeder, met wie hij in ‘ziekelijke gezinsvrede’ samenwoonde, een genadeloze analyse van vergeefse pogingen van Pruisische ouderliefde.

Marat/Sade-Inscenering in het Virginia Museum of Fine Arts in Richmond, oktober 1969, Regie: Keith Fowler | https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=18522246

Het stuk De vervolging van en de moord op Jean Marat opgevoerd door de verpleegden van het krankzinnigengesticht van Charenton onder regie van de heer De Sade was in 1964 een internationale hit. Een mengvorm van feit en fictie met meeslepende dialogen tussen de radicale revolutionair Marat en de extreme libertijn Marquis De Sade over hoe een uiterste aan individualisme zich verhoudt tot radicale maatschappelijke ommekeer. Over de waarde en betekenis van individu en maatschappij in buitensporige omstandigheden die de mens tonen wie hij is.

Het bevragen van uitersten is het terrein van Peter Weiss (1916-1982). Niet alleen qua inhoud, ook in de vorm verkent hij de extremen. Neem zijn stuk Viet Nam. Gesprek over de voorgeschiedenis en het verloop van de langdurige bevrijdingsoorlog in Viet Nam als voorbeeld van de noodzaak van gewapende strijd van de onderdrukten tegen hun onderdrukker als ook over de pogingen van de Verenigde Staten van Amerika de grondbeginselen van de revolutie te vernietigen. De uitzonderlijk lange titel gaat vooraf aan een hybride van teksten en genres. Proza op de bühne, verknipt in versregels, discussies en verslagen uitgesproken door personages die geen individuen zijn.

Beter werken met gebrekkige middelen dan verstikken in zwijgzaamheid en verbijstering.

Berucht vermaard zijn de 1195 dichtbedrukte, alinealoze pagina’s van zijn magnum opus Die Ästhetik des Widerstands, een roman uit 1981 die me half gelezen vanuit mijn overvolle boekenkast nog altijd uitdaagt. Het is Weiss’ poging de ‘communistische’ evenknie van James Joyce te worden, een flow van zinnen in verschillende registers, vanuit verschillende perspectieven, doorspekt met autobiografische elementen waarin hij de ontwikkelingsgang van een kunstenaar uiteen rafelt. Een literaire topprestatie die evenveel tijd kost om te lezen als de schrijver besteedde aan het schrijven ervan.


advertentie

Textiel Hulde - De Annex Weert


Maar zijn belangrijkste werk is het uit 1965 stammende Het onderzoek. Oratorium in elf zangen (Nederlandse vertaling van Gerrit Kouwenaar), een feitelijke samenvatting van het eerste Auschwitz-proces dat van 1963 tot 1965 in Frankfurt plaats vond. De verklaringen en getuigenissen tijdens dat proces worden bij Weiss kale teksten; alleen de verdachten krijgen een naam, de slachtoffers zijn naamloos. Documentair theater, noemt hij dit concentraat van feiten waarin ervaring en confrontatie zijn ontdaan van het persoonlijke.

Peter Weiss, 1982

Met die aanpak maakt Weiss een systeem zichtbaar van georganiseerd, industrieel geweld dat veel meer schuldigen opleverde dan ooit voor de rechtbank zullen verschijnen. De onmogelijkheid je voor te stellen wat de holocaust eigenlijk inhoudt, betekent voor Weiss niet dat je er daarom in de kunst aan voorbij moet gaan. Het kamp nabootsen op de bühne is onmogelijk, ‘maar de kunstenaar moet analyseren wat er is gebeurd’.

Hij kan er niet onderuit de holocaust te zien als ‘een bestanddeel van ons leven’, als maanteken en symbool van ‘het uiterste van wat mensen andere mensen kunnen aandoen’. Beter werken met gebrekkige middelen dan verstikken in zwijgzaamheid en verbijstering. Dat velen het daarmee niet eens waren, bewijzen de heftige debatten over de methode-Weiss.

Het stuk werd in Nederland 23 keer opgevoerd; in de jaren zeventig maakte Hans Croiset er met het Publiekstheater gebruik van bij landelijke dodenherdenkingen. In een brief aan Peter Zonneveld, toneelrecensent van De Groene Amsterdammer, schreef hij: ‘Ik herinner me dat als we klaar waren en door de branddeur het voortoneel verlieten, wij, de tekstlezers, tegen elkaar aan vielen van de doorstane spanningen. Het Amsterdamse publiek was zo ademberovend stil, dat Peter Weiss’ woorden als spelden en naalden in de zaal terecht kwamen’.

BEN VAN MELICK